Zonaanbidders en strandliefhebbers hebben Gran Canaria allang in hun hart gesloten. Zins reisjournalist Monique van Gaal (1963) gaat op zoek naar die Andere kant van het vulkanische eiland: naar de grillage natuur, de kleurrijke dorpen, de bruisende hoofdstad, en die overdaad aan ruige wandelpaden.
Kijk daar eens, al die hoogbouw die overall bovenuit steekt!
Ik maan mijn reispartner – die achter het stuur van onze huurauto zit en eigenlijk zijn blik op het drukke verkeer op de GC-1 moet houden – naar links van de weg te kijken. Het is al laat in de middag wanneer we van de luchthaven naar de zuidkust van Gran Canaria rijden, langs de uit de kluiten gewassen badplaatsen Playa del Inglés en Maspalomas. Want ja, een bezoek aan de Duinen van Maspalomas, die tussen de twee hotspots in liggen, willen wij toch niet overslaan. Een beschermd gebied vol goudgele zandduinen, die zich onder invloed van de zeewind steeds weer verplaatsen.
Parkeren doen we de volgende dag om de hoek van de imposante 19de-eeuwse vuurtoren van Maspalomas. Gebouwd toen dit deel van het eiland nog een en al woestijn was: een groter contrast met de huidige omgeving is haast niet denkbaar. We pakken het pad langs La Charca de Maspalomas, een brakwatervijver in een oase van groen. Het is een van de beste plekken op de Canarische Eilanden om vogels te spotten. Aan de overkant van het water lijken we abrupt de Sahara binnen te stappen. Kamelen zitten werkeloos in het zand, wachtend op toeristen voor een kamelensafari. Vandaag is er geen mens te zien, en ook pad nummer 2 leidt ons door een heerlijk verlaten duinlandschap. Vanaf het uitkijkpunt bij Hotel RIU Palace volgen we pad nummer 3 terug naar het strand, waar badgasten zij aan zij in de zon liggen te bakken.

De verschillende lagen gesteente komen in een fantastisch kleurenpalet: van oranje naar geel, van geel naar groen
Van mirador naar mirador
Toeristisch, maar dan ook écht mooi. Dat is Puerto de Mogán, de meest westelijke badplaats aan de zonnige zuidkust. Hagelwitte huisjes met kozijnen en deuren in de kleuren rood, groen, blauw en geel, gelegen aan door bruggetjes overspannen kanalen. Fleurige bougainvilles doen er nog een schepje bovenop. Op deze vroege ochtend hebben wij de fotogenieke straatjes voor ons alleen, maar wanneer tegen elf uur de vele dagjesmensen binnendruppelen, kiezen wij gauw het hazenpad. Via de spectaculaire kloof, de Barranco de Mogán, rijden we noordwaarts.
Dit is het begin van de GC-200, een kronkelende weg door het ruige, dorre binnenland. Bij Los Azulejos de Veneguera stappen we uit om de unieke, door chemische reacties gevormde rotsformaties te bewonderen. De verschillende lagen gesteente komen in een fantastisch kleurenpalet: van oranje naar geel, van geel naar groen. Het kraampje aan de overkant van de weg verkoopt heerlijke vruchtensappen en smoothies. Op het geïmproviseerde terras weten we twee van de weinige plastic stoeltjes met fenomenaal uitzicht te bemachtigen. Dan rijden we verder, van mirador naar mirador, met als klapstuk de aan de westkust gelegen Mirador del Balcón. Een hypermodern glazen, vervaarlijk aan een klif hangend platform met duizelingwekkend uitzicht op een reusachtige muur van puntige kliffen aan de strakblauwe Atlantische Oceaan.

Rauw randje
Puerto de las Nieves: geen schoonheid als het Instagramwaardige Puerto de Mogán, maar een authentiek vissersdorpje met een rauw randje. Het soort dorp waar ik van hou. Lage, witte huisjes met blauw omrande deuren en ramen, een fraaie witte kerk, een klein zwart lavastrand en een haven. En dat allemaal tegen een imponerend decor van donkere, haast loodrechte vulkanische kliffen. Heel in de verte ontwaren we de Pico del Teide op Tenerife: de allerhoogste top van Spanje. Zittend op de pier zien we de veerdiensten tussen Gran Canaria en het buureiland komen en gaan. In de vroege avond voegen we ons bij de eilandbewoners – vrijwel geen toerist te bekennen – in een van de uitnodigende visrestaurantjes aan de kust.
De volgende dag kiezen we voor een wandeling in de noordwesthoek van het eiland. Een hoog plateau doorsneden met kloven – de barrancos; dat betekent dus alsnog veel klimmen en afdalen. De traptreden die afdalen naar de Barranquillo La Caleta liggen er vooralsnog mooi bij, maar voor de daaropvolgende klim door de kloof en naar de top van de in zee uitstekende Punta Gorda moeten we zelf maar zien hoe het pad ongeveer loopt. Na de volgende steile afdaling naar de brede Barranco del Juncal, is het tijd voor een pauze op het verlaten zwarte keienstrand van Playa del Juncal. Ondanks de warmte lijkt een duik in de onstuimige golven ons geen goed idee. Via de top van de kale, 128 meter hoge Montaña Morisca keren we terug naar het dorp, waar de natuurlijke, door lavarotsen beschermde baden van Las Salinas de Agaete een veilige optie bieden om toch nog van het heerlijke zeewater te genieten.

Dennenbos
Een web aan bewegwijzerde wandelpaden in een dicht bos van inheemse Canarische dennen, dat is toch vrij uniek voor een dor eiland als Gran Canaria. Natuurpark Tamadaba, aangewezen als Unesco Biosfeerreservaat, omvat behalve 18 kilometer kustlijn tevens een groot deel van het noordwesten van het eiland. Zigzaggend voert de smalle weg omhoog naar het op meer dan duizend meter hoog gelegen plateau, waar we beginnen aan de acht kilometer lange wandeling rondom het massief. Het is aangenaam lopen in de schaduw van de hoge, kaarsrechte dennen, die – zo heb ik me ingelezen – vanwege hun dikke schors uitstekend beschermd zijn tegen bosbranden. Door de hoge ligging kunnen de bomen vocht onttrekken aan de op de passaatwinden meegevoerde wolken, wat deze feeërieke weelderigheid verklaart. Gestaag klimmen we naar het hoogste punt, de 1.444 meter hoge Pico de la Bandera, vanwaar we een geweldig panoramisch uitzicht hebben. Het is ons een raadsel waarom we in dit prachtige natuurgebied geen andere wandelaars tegenkomen.
We vervolgen de rit naar onze bestemming van vandaag: Tejeda. De eerste blik op het op 1.050 meter hoogte gelegen bergdorp, met op de achtergrond de majestueuze Roque Bentayga, is overweldigend. En dan Tejeda zelf: een stralend witte kerk omringd door witte huisjes met oranjerode daken, en de meest fantastische uitzichten op het omringende vulkaanlandschap vanaf stenen balkons rondom het dorp. De vele horecagelegenheden en ijssalons zijn doorgaans alleen rond het middaguur geopend; Tejeda wordt druk bezocht op een dagtoer door het binnenland en is een favoriete lunchplek. Tegen het einde van de middag ondergaat het dorp een transformatie: we lopen door de verlaten straatjes, zien als enigen hoe de zon achter een schitterend decor aan bergen verdwijnt. Morgen wacht ons een mooie wandeling in de omgeving.

Sneeuwtop
De tachtig meter hoge basaltrots Roque Nublo (wolkenrots) wordt beschouwd als hét symbool van Gran Canaria. Een immens populaire plek om naartoe te wandelen, met als gevolg dat tegenwoordig de regel geldt dat je eerst een tijdslot reserveert. Maar op druk bewandelde paden zitten wij helemaal niet te wachten, dus kiezen we in plaats daarvan voor een ruim tien kilometer lange wandeling met vrijwel doorlopend deze beroemde roque in het vizier, maar dan van een afstandje. We starten de rondwandeling in het recreatiegebied van Llanos de la Pez op een hoogte van bijna 1.700 meter. Met een flinke omweg zullen we uiteindelijk de op een na hoogste piek van het eiland, de Pico de las Nieves (1.949 meter), bereiken.
De állerhoogste top, de Morro de la Agujereada, meet net tien metertjes meer, maar is gek genoeg een stuk minder bekend. Het pad voert eerst langs het stuwmeer Presa de los Hornos. Dan volgt een flinke klim door nauwe rotsspleten, waarna een schaduwrijk stukje bos weer voor wat ontspanning zorgt. Gestaag is de klim naar de mirador op de Pico de las Nieves, die voor het vergrote deel wordt ingenomen door militaire installaties. Het weidse uitzicht op de helft van het eiland is om van te smullen; heel in de verte zien we zelfs de duinen van Maspalomas. Bij de foodtruck kopen we wat te drinken, en rusten uit in de warmte van de blakende zon. Op andere dagen kan het hier flink koud en mistig zijn, ja er valt soms zelfs sneeuw vandaar de naam, ‘sneeuwtop’. Na een vlotte afdaling en met 460 hoogtemeters in de benen keren we voldaan terug bij ons startpunt.
De eerste blik op het op 1.050 meter hoogte gelegen bergdorp, met op de achtergrond de majestueuze Roque Bentayga, is overweldigend
Probeer deze wandelingenKomoot is een handige app om wandelroutes te zoeken of zelf te uploaden. Ook Mapy.com is ideaal. Deze wandelingen staan op Komoot: |
De rondwandeling over de kraterrand is beslist een van de meest adembenemende wandelingen op Gran Canaria
Lekker slapen• Club Cala Blanca, Taurito |
Een échte stad
Voor de laatste twee nachten begeven we ons van de bergen naar een compleet andere omgeving: de in het noordoosten gelegen hoofdstad van het eiland, Las Palmas, met zo’n vierhonderdduizend inwoners. Onderweg maken we tussenstops in twee fraaie stadjes. In het bedevaartplaatsje Teror bewonderen we de aan een groot dorpsplein gelegen robuuste basiliek en de bonte huisjes met houten balkonnetjes in de typisch Canarische bouwstijl. In Arucas torent de enorme, van lavasteen gebouwde twintigsteeeuwse neogotische kerk hoog boven de stad uit. Hier struinen we door de sfeervolle straatjes vol kleurrijke huizen en pakken een van de gezellige terrasjes.
Maar dan Las Palmas: een échte stad, met échte verkeersdrukte en parkeerstress. Een stad waar wordt gewoond en gewerkt, en waar het toerisme nauwelijks een rol lijkt te spelen. Het duurt wel even voordat we ons boetiekhotel aan de rand van de oudste wijk, Vegueta, hebben gevonden. Even een paar minuten lopen en dan staan we te midden van de allermooiste monumentale gebouwen van de stad. Acht bronzen beelden van honden lijken de toegang tot de prachtige Santa Ana kathedraal te bewaken. Ook het huis van Columbus (Casa de Colón) staat op de lijst van must-sees. Even ten noorden van Vegueta ligt de tweede historische wijk, Triana, die zich heeft ontwikkeld tot beste winkelgebied van de stad. De avond gebruiken we dan ook om in de kilometerslange Calle Triana te shoppen. In de zijstraatjes vinden we de wat eigenzinnigere boetiekjes naast tal van uitnodigende restaurants.

Kraterrand
Alhoewel loopafstanden tussen de verschillende wijken van Las Palmas eigenlijk te groot zijn, valt er toch een hoop moois te bewandelen. Favoriet is het kilometerslange, tussen twee rotspartijen in gelegen, stadsstrand Playa de Las Canteras. Nu en dan slenteren we langs de branding – witte schuimkoppen op een blauwe zee, genoeg ruimte op het zachtgele zand voor iedereen – en dan weer een eindje over de oergezellige boulevard bomvol terrasjes. Beachvolleybal, bonte vissersbootjes, surfers, flanerende stadsmensen: we kijken onze ogen uit.
Voordat we de volgende avond op het vliegtuig terug stappen is er nog één wonder der natuur dat we niet willen missen. De Caldera de Bandama is een enorme, tweehonderd meter diepe krater met een doorsnee van een kilometer. De naam ‘Bandama’ is afgeleid van de Vlaamse kolonist Daniël Van Damme die in de 16de eeuw op het lumineuze idee kwam om in de krater een wijngaard aan te leggen. Vanaf de Pico de Bandama werpen we eerst een blik in de lege diepte alleen nog maar een oude boerderij te bespeuren – alvorens aan de vier kilometer lange rondwandeling over de kraterrand te beginnen. Beslist een van de meest adembenemende wandelingen op Gran Canaria, met de kleine kanttekening dat het smalle pad met de steile hellingen aan weerszijden mij op enkele punten ook wel wat benauwde momenten bezorgt.

Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd in Zin magazine