Ik ben oud, dat komt door mijn leeftijd. Zo denkt niet iedere bejaarde erover. “Ik denk nooit aan mezelf als een oude vrouw,” zei iemand in het ontmoetingscentrum voor ouderen, “en dan kijk ik in de spiegel en zeg ik: ‘O ja!’ Maar vanbinnen ben ik niet veranderd.”
Yvonne Kroonenberg (72) is schrijver en psycholoog. Ze schrijft maandelijks in Plus over relaties in brede zin.
“Ik wel,” antwoordde ik, “ik zou vroeger voor geen prijs naar een ontmoetingscentrum gaan. Nu wel.” “Je komt voor de cursus Spaans,” weerlegde de vrouw, “toch niet voor de mensen?” “Jawel! Ook voor de gezelligheid,” zei ik, “maar vroeger ging ik dan naar een café.”
Ik heb heel lang gedacht dat mensen in wezen niet veel veranderen met de jaren. Dat iemand die zijn hele leven in de stad heeft gewoond en naar cafés ging echt niet ineens naar de stilte en de natuur verlangt als hij boven de 70 is. Maar er zijn wel degelijk oude mensen die de drukte niet meer verdragen. Ze zijn niet meer stads. Ik breng de zomer door op de volkstuin. Dat telt niet, want onze tuin ligt vlak bij de stad en ik fiets iedere dag terug naar het centrum omdat ik de dieren moet verzorgen. Maar ik denk nooit: kon ik maar naar een festival of naar een winkelstraat.
Ik praat vaak met andere mensen op de bejaardensociëteit over de veranderingen die we in onszelf vaststellen. “Ik ben veel ongeduldiger dan vroeger,” zei een man, “ik word snel boos.” “Op wie?”, vroeg ik. “Op iedereen, op alles,” antwoordde hij, “als mensen hun huisvuil ’s avonds al buiten zetten in plaats van ’s ochtends. ‘Aso’s!’, scheld ik dan.” “Of als een fietser over het trottoir rijdt”, vulde een vrouw aan. “Op groepen toeristen in Amsterdam die met z’n allen rolkoffers voorttrekken en heel hard tegen elkaar praten”, zei ik. “Scheld je dan ook?”, vroeg de man. “Nee,” zei ik, “of maar een beetje. Zij kunnen het ook niet helpen dat ze met zoveel zijn.”
Ik heb een speciale methode ontwikkeld om over straat te lopen tussen de toeristen. Als ik zo’n klont vakantiegangers tegenkom op de stoep, maak ik me een beetje breed. Dan gaan ze opzij. Ik liep een keer met een lange man uit Rotterdam in het centrum van Amsterdam. Die was geschokt dat ik zo brutaal ruimte innam. Dat gaf geen pas, vond hij. Ik haalde mijn schouders op. “Het kan me niks schelen hoe de mensen over me denken”, zei ik.
Dat is heel typerend voor oude mensen. Ze trekken zich bijna nergens meer wat van aan. Dat zei ik hardop. “Hoe kom je daar nu bij!” zei de man van de sociëteit. “Ik gedraag me netjes, zoals het hoort.” “Zoals jij vindt dat het hoort”, weerlegde ik. “Zouden jongeren daar nu heel anders over denken dan wij?”, vroeg de vrouw weifelend. Daar hadden we geen van drieën een antwoord op. Maar het maakte ons ook niet zoveel uit. We zijn op een leeftijd dat we vooral goed rekenen wat we zelf doen en mopperen op de buitenwereld. Maar dat kan niet zoveel kwaad, in feite zijn we weerloos.