Het zat de dochter niet mee in het leven. Weliswaar had zij een lieve vriend, maar beiden zaten zonder werk. Daarom onderzocht de dochter de mogelijkheid om een bijstandsuitkering aan te vragen. Dat bleek niet haalbaar omdat zij een vette spaarrekening had. Toen bedacht ze met haar moeder een slinks plan.
Televisiepersoonlijkheid mr. Frank Visser (72) geeft elke maand een kijkje in de keuken van de rechtspraak.
Als de dochter €10.000 van haar spaargeld aan haar moeder zou overmaken, bleef ze net binnen de wettelijke grens. En dan zou haar moeder dat geld later wel weer terugbetalen. Over dat laatste bleken ze het achteraf helaas niet eens. De moeder besloot het geld te verrekenen met studiekosten, die zij eerder zou hebben voorgeschoten. En zo kwamen moeder en dochter bij de kantonrechter terecht, wat erg ongemakkelijk aanvoelde voor iedereen.
De kantonrechter zette alles op een rijtje en kwam tot de conclusie dat de dochter onbetwist €10.000 aan haar moeder had overgemaakt. Beiden gaven onbekommerd toe wat daarvan de bedoeling was geweest, namelijk het ten onrechte verkrijgen van een bijstandsuitkering. Van een schenking was geen sprake. De betaalde €10.000 was volgens de kantonrechter juridisch aan te merken als een geldlening. En die moest worden terugbetaald. Maar mocht de moeder de ‘geldlening’ dan niet verrekenen met die studiekosten? Volgens haar was namelijk afgesproken dat die kosten moesten worden terugbetaald als dochter de studie zou afbreken, wat ook was gebeurd. In beginsel mocht moeder verrekenen, maar dit alleen als de terugbetaal-afspraak zonder redelijke twijfel inderdaad was gemaakt. Dat laatste werd door de dochter luidkeels ontkend en het bewijs ervoor ontbrak.
Bovendien lag een dergelijke afspraak niet voor de hand, omdat ouders de studiekosten van hun kroost in de regel voor eigen rekening nemen. Einde van het verhaal was dat moeder de €10.000 moest terugbetalen en dat zij kon fluiten naar de volgens haar voorgeschoten studiekosten.Dit einde komt mij nogal onbevredigend over. Want hoe je het ook wendt of keert, de bedoeling van de door beide partijen bedachte constructie was om bijstandsfraude te kunnen plegen. Dat is een misdrijf.
Volgens mij was die hele geldlening volgens artikel 3:40 van het Burgerlijk Wetboek daarom nietig wegens ‘strijd met de openbare orde en de goede zeden’. Hoewel het geld ook in dat geval moest worden terugbetaald, was van een dergelijke motivering een duidelijk signaal naar de samenleving uitgegaan. Woorden doen ertoe. Maar er is in dat verband meer dat mij niet zint. Als twee mensen samenwerken bij het beliegen van de sociale dienst, dan is het wel zuur dat zij bij een onderling conflict over de afwikkeling daarvan, zonder angst voor enige strafrechtelijke gevolgen, schaamteloos naar de rechter kunnen stappen. Zou het niet beter zijn als de officier van justitie er dan even bij komt zitten? Maar ja, die heeft het al zo druk.