‘Wat hebben we toch een springlevende taal. Heerlijk!’

Er verdwijnen voortdurend woorden uit vervlogen dagen
Gepubliceerd 3 augustus 2026
Charles Groenhuijsen
Beeld Plus Magazine

Ik kijk nu al uit naar de decembermaand. Vanwege kerstmis bij de openhaard én vanwege de verkiezing van Woord van het jaar. Genomineerde en gekozen woorden geven steevast een mooi tijdsbeeld.

Amerika-deskundige en journalist Charles Groenhuijsen bespreekt actuele maatschappelijke kwesties.

Polarisatie bijvoorbeeld in 2024, of in de coronajaren hoestschaamte, raamvisite en prikspijt. Eerder hadden we swaffelen, klimaatklever en bokitoproof. Die woorden zijn er ineens. Ze sluipen ongemerkt ons taalgebruik in, maar raken ook weer in onbruik.

Er verdwijnen voortdurend woorden uit vervlogen dagen, die nooit Woord van het jaar werden, maar wel de poortwachters waren van de Goeie Ouwe Tijd. Ik ben er dol op.  Ze hebben een vertederend ‘weet je nog’-gehalte. Nostalgische herinneringen flitsen door je hoofd.

Je kunt er thuis een wedstrijdje van maken. Wie weet nog de betekenis van: bakvis, beatlehaar, flessenkrabber, habbekrats, kierewiet, nozem, petticoat en pierewaaien? Je moet wel dik boven de 50 zijn om ze allemaal te herkennen. Voor wie nu nog foutloos is, een tweede ronde: allegaartje, bewaarschool, belatafeld, ginnegappen, lampetkan, mieters, pantoffelheld, saffie, slabakken, zemelen. Zijn er nog lezers zonder fouten? Deze als finale test: boldootkar, geitenfuif, regelneef, snoeshaan.

Er is ook een flinke lijst van benamingen voor vrouwen. Durven we die nu nog hardop te zeggen? Baanmeid, draaigatje, hekelteef, kwikkebil en pekelhoer. En voor mannen: Dekzwabber, lapzwans, hennetaster, platbroeck, pummel, rabauw, schobbejak, stoethaspel.

Veel oude scheldwoorden zijn trouwens opvallend vaak (teken des tijds?) vriendelijk. Het worden ­bijna koosnaampjes: belhamel, losbol, doerak, ­kwibus, lummel, mafketel, oelewapper, paljas, schavuit, snoeshaan, vlerk. Doerak stamt uit de ­Napoleontische tijd. Het komt van Russische ­kozakken die in die periode uit Rusland naar Nederland kwamen. Mafketel is straattaal uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Oelewapper is weleens toegeschreven aan Spaanse soldaten die naar vrouwen ‘olé guapa’ (hé, lekker ding!) riepen, wat verbasterd werd tot oelewapper. Leuk verhaal, maar waarschijnlijk klopt het niet. Jammer.

Er is zelfs een Verdwijnwoordenboek met 1500 voorbeelden. Op de achterflap lees ik: “Ooit was er een woord voor de smart van de fietser met een lekke band: spijkertjeswee. En ooit gingen partnerruilende paren een avondje sleutelen. Al deze woorden zijn nagenoeg verdwenen uit het Nederlands.” Wie de smaak te pakken heeft, kan via AI of Google zoeken naar de herkomst van al die woorden. Veel vergeten termen herinneren aan oude zeilschepen: Gaffelkluiver, lapzalf, marsgast, naaipalm. Deze hoor je nog wel regelmatig: aanklampen, aftakelen, bakzeil halen, buitenwesten zijn, kantjeboord.

Ik stuit ook op het ouderwetse (vloek)woord ­sapperloot. Dat was toch de brave krachterm die Pipo de clown in mijn jeugd op tv gebruikte? Even opzoeken. Mmm… ik heb het half goed. Het was niet sapperloot, maar sapperdeflap. Wat hebben we – ondanks al die overleden woorden – toch een springlevende taal. Heerlijk!