Als ouderen makkelijker kunnen gaan samenwonen zonder direct onzekerheid over hun AOW, kan dat jaarlijks duizenden verhuizingen opleveren. Volgens de SVB kunnen daardoor naar schatting 1.500 tot 2.600 woningen per jaar vrijkomen. Afgerond: zo’n 2.000 woningen.
Wie AOW ontvangt, heeft nu te maken met regels die sterk afhangen van de manier waarop iemand woont en samenleeft. Alleenstaanden krijgen in de huidige systematiek een AOW-bedrag van 70 procent van het nettominimumloon. Gehuwden en mensen die volgens de regels een gezamenlijke huishouding voeren, krijgen 50 procent: een verschil van honderden euro’s per maand.
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) worstelt soms ook met de beoordeling of mensen werkelijk samenwonen, wat kan leiden tot ingewikkelde vragen en onderzoeken. De SVB-inspecteurs worden daarom in de volksmond ook wel ’tandenborsteltellers’ genoemd.
Doe mee met de AOW-Quiz en maak kans op 1 maand AOW. Netto!
Objectief partnerbegrip AOW
Daarom pleit de SVB voor een objectief partnerbegrip in voor de AOW. Daarbij wordt niet meer zo veel gekeken naar alle details van iemands woonsituatie, maar naar duidelijke criteria. Denk aan een huwelijk of geregistreerd partnerschap, of aan twee meerderjarigen die op hetzelfde adres wonen én bijvoorbeeld samen een kind hebben, een notarieel samenlevingscontract hebben, elkaars pensioenpartner zijn of samen eigenaar zijn van de woning waarin zij wonen.
Ouderen die nu twijfelen om bij een partner, broer, zus of ander familielid te gaan wonen uit angst voor gevolgen voor de AOW, krijgen meer duidelijkheid. Als zij volgens de objectieve criteria niet als partner gelden, heeft samenwonen of mantelzorg verlenen geen gevolgen voor de hoogte van hun AOW.
Volgens een maatschappelijke kosten-batenanalyse kan het objectief partnerbegrip ertoe leiden dat jaarlijks ongeveer 5.800 tot 10.400 AOW-gerechtigden gaan samenwonen. Daardoor zouden naar schatting 1.500 tot 2.600 woningen per jaar vrijkomen.
Meer voordelen
De voordelen zitten niet alleen in de woningmarkt. De SVB verwacht ook minder ingewikkelde controles, minder vragen over de persoonlijke levenssfeer en meer ruimte voor mantelzorg.
Voor de meeste AOW’ers zou er financieel niets veranderen. Uit een bestandsvergelijking blijkt dat voor 98,6 procent van de circa 3,6 miljoen AOW-gerechtigden de uitkomst van de partnertoets hetzelfde blijft. Voor 1,4 procent, ongeveer 53.000 mensen, kan de uitkeringshoogte wel veranderen. Daarbij gaat het naar schatting om 34.000 mensen die van de gehuwdennorm naar de alleenstaandennorm zouden gaan, en 19.000 mensen die juist van de alleenstaandennorm naar de partnernorm zouden gaan.
Voor mensen die erop achteruit zouden gaan, wordt rekening gehouden met overgangsrecht, maar de precieze uitwerking moet nog worden bepaald. Ook moet de politiek nog beslissen of het objectief partnerbegrip daadwerkelijk wordt ingevoerd en hoe het wordt betaald. De SVB wil dat de invoering al in 2028 mogelijk wordt, maar een definitief besluit in de Tweede Kamer is nog nodig.