Interview Paul de Leeuw: ‘Ik doe een therapie in nederigheid’

Mijn ouders zeiden: Over jou hebben wij ons nooit zorgen gemaakt. Vond ik een groot compliment
Gepubliceerd 31 juli 2026 | Bijgewerkt 16 september 2026
Eran Oppenheimer
Beeld Getty Images

Paul de Leeuw brult nog altijd, maar haalt steeds meer de krenten uit de pap. Nu komen er twee musicals aan. Zingen blijft hij altijd, én zorgen. “Als ik even tijd heb, ga ik naar mijn moeder en daarna naar huis om te koken voor Stephan en de jongens.”

Paul de Leeuw (1962, Rotterdam) is presentator, zanger, cabaretier en acteur. Hij brak door in 1983 nadat hij de Persoon-lijkheidsprijs won bij cabaretfestival Cameretten en Vlieg met me mee zong op tv bij Sonja Barend. Landelijk bekend werd hij in 1987 bij Sterrenslag (‘Meneer van Heumen, bent u er klaar voor?’). Hij maakte baanbrekende tv met De Schreeuw van de Leeuw en had succes met Droomland, Zonder jou, ‘k Heb je lief en Blijf bij mij. Zijn meest recente tv-hit was Een vergetelijk mooie reis. 

Vanaf september staat hij met Annick Boer in de cabaretmusical We zijn toch familie. Ook komt er vanaf december een musical met Simone Kleinsma waarin zijn hits worden gezongen: Vlieg met me mee. Maart 2027 staat hij drie dagen in Ahoy met Paul & Meer Vrienden.

Vroeger was het theater voor mij de grote vonk

Tv had je thuis, maar voor theater moest je de deur uit. Dan zat je met je hele familie naast je op Toon Hermans te wachten en kwam hij ineens dat toneel op. Magisch.Thuis las ik veel, luisterde ik naar de radio en speelde piano en accordeon. En ik had mijn eigen wereldje met marionetten en poppenkastpoppen. Een aangeboren hang naar het theatrale. Ik weet nog dat we op de lagere school de musical Het koffertje van Meneer van Dalen moesten uitvoeren. Klasgenootje Belinda zou de hoofdrol spelen. Ik wist dat zij niet zo goed kon zingen en zag mijn kans schoon. Ik heb al die liedjes van die musical uit mijn hoofd geleerd, ben op een beetje overdreven manier opgestaan in de klas en heb een keel opgezet. Kreeg ik de hoofdrol. 

Zo grappig: niet lang geleden stond Belinda voor me. In Dordrecht, bij mijn voorstelling. We hebben er samen nog om gelachen.Mijn vader Henk was fruit- en groente-importeur, mijn moeder Tonia werkte in de verpleging en ging vader helpen in het bedrijf. Als vriend van de club leende mijn vader Feyenoord eens acht ton zodat ze Ruud Gullit van Haarlem konden kopen. In die tijd wilde ik een lening van vijftienhonderd gulden voor een lelijke eend, ik deed vakantiewerk bij Van der Valk en had die auto nodig. Ik kreeg die lening niet. Toen we in de krant lazen dat hij de transfer van Gullit had gefinancierd zei mijn moeder: ‘En dan leen je Paul geen vijftienhonderd gulden?’ 

Heb ik het uiteindelijk toch gekregen. Het was wel een miskoop, die eend was totaal doorgeroest. Het was goed wat mijn vader deed. Als ik tegen hem zei dat ik graag meer zakgeld wilde, antwoordde ’ie: “Dan ga je de auto maar wassen.” In mijn hoofd heeft altijd gezeten dat je moet werken voor je geld. Veel later, mijn ouders waren al een tijdje gescheiden, pa was in Polen gaan wonen, zaten we eens met een klein clubje bij elkaar. Mijn ouders waren er allebei bij. Ik vroeg: “Wat vinden jullie nou eigenlijk van mij?” Toen zeiden ze: “Over jou hebben we ons nooit zorgen gemaakt.” Als je dat op je 45ste hoort, is dat wel een heel groot compliment.

Eran Oppenheimer

Ze hebben nooit wakker gelegen van mij. Terwijl ik natuurlijk niet alleen maar succes heb gehad. Ik heb weleens tegen mijn vader gezegd: ‘Jij doet in vers fruit, maar ik bén vers fruit. Als jij een slechte oogst hebt, is je handel weg. Maar ik ben zo goed als mijn laatste programma.’ Werd een discussie. Hij vond dat hij afhankelijk van de oogst was en dat ik het zelf kon bepalen. Maar je kan niet op de automatische piloot voor zekerheid gaan in mijn vak. Zo ben ik ook helemaal niet. Als een programma niet werkt, staat het in de kranten en komen of kijken er misschien wel minder mensen. Toen ik in 1983 begon had ik 150 mensen in een zaal in Helmond, maar het was wel de bedoeling dat het jaar erop er 300 zaten. Het is steeds weer je product verkopen. Pa’s jaarlijkse hoogtepunt waren de aardbeien. Die moesten ieder jaar goed zijn, anders had je een strop. ‘Zie je pa,’zei ik, ‘ik moet ook altijd goed zijn. Ik ben gewoon een aardbei.’ Uiteindelijk gaf ’ie me gelijk.

Nu heb ik al heel lang mijn eigen gezin, een heel sterke basis

Die basis bepaalt mijn succes en geeft me de rust die ik nodig heb. Als ik met ruzie het huis uitga, kan ik niks. Nadat mijn man Stephan en ik Kas en Toby in 2001 en 2002 hadden geadopteerd, kochten we meteen een huis in Spanje voor de vakanties. Het is echt ons familiehuis geworden. Onze kinderen zijn nu 23 en 24. Met Kas deel ik de passie voor eten. Hij werkt nu in een van de beste keukens van Amsterdam. 

Toby is singer-songwriter en begeleidt me weleens op de piano als ik optreed. We stonden samen in Ahoy. Je moet zelf ervoor zorgen dat de basis goed is. Dat ik niet thuis binnenkom en denk: nu komt er een persoonlijkheid binnen. Ik heb drie mensen om me heen die me heel nuchter houden. Soms denk ik: iets meer waardering mogen ze ook wel tonen. Maar zo zijn we gewoon niet. Ik hoor mijn zonen weleens zeggen dat ik lichtelijk hysterisch kan zijn, en dominant. Dat hoor ik dan aan en denk: we zijn nog allemaal bij elkaar, dus dat scheelt. Het is een flink ding, dat opvoeden. 

Omdat je dat voor het eerst doet en geen kind hetzelfde is. Toen ze pubers waren, hebben we ook weleens flink tegenover elkaar gestaan. Een goede vriendin die kinderpsycholoog is vertelde ons: ‘Kinderen kunnen puberen als ze onvoorwaardelijk vertrouwen in je hebben.’ Dat vond ik een heel mooie. Ik ben niet de beste vriend van mijn zonen. Ik blijf hun ouder. Dat is een gezonde verhouding. Op momenten dat ze het lastig hebben, kunnen ze meteen bij ons terecht. Maar ze zijn ook heel erg op zichzelf en dat is goed. We wonen nog wel allemaal bij elkaar. De oudste woont boven ons en de jongste bij ons. Maar ook al zien we elkaar niet, we zijn altijd samen.

Straks sta ik in maart volgend jaar drie dagen in Ahoy met Paul & Meer Vrienden

Alles draait om mijn verjaardag. Op vrijdag 26 maart word ik 65. We willen echt huwelijken sluiten op het nummer ‘k Heb je lief, en het is zondag 28 maart Eerste Paasdag, dus dan wil ik iets met Pauls Passion. Tijdens die concerten komt alles samen. Ik wil dat de mensen naar huis gaan met het gevoel dat ze alles van het leven weer hebben meegemaakt. Vreugde. Huilen. Meezingen. Hele families, alle generaties samen. Ik vind het leuk dat een nieuwe generatie mij ook nog kent. Laatst zong ik met allemaal talenten tussen de 16 en 26 jaar, jongeren van het NJO Poporkest, op het plein bij Station Apeldoorn. Op een heel mooie avond in de buitenlucht voor duizend man stonden we daar. Ik voelde een puur geluk. 

Paul de Leeuw

Mijn stem was goed en het ging zo lekker. Toen ik daar zo met die jongeren was – zij vonden mij heel leuk, ik hen ook – dacht ik: ik sta er nog goed.Vroeger dacht ik: een dag vrij, dat kan niet. Maar nu vind ik het wel lekker. Voorheen was ik overdag bezig met mijn tv-programma en stond ik ’s avonds in het theater. Als ik straks het theater inga met de musical We zijn toch familie hoef ik geen tv te doen. Ik vind het daarom vrij rustig. Ik zit vaak op een stoel met een boek. Wat ik vroeger alleen in de zomer deed of ’s avonds. Kan ik erg van genieten. Wat de toekomst brengt, weet ik nog niet zo goed. Mijn man is jonger, die is 57 en heeft nog een goed-lopend bedrijf. Als Stephan straks zou zeggen: ‘De jongens kunnen hun ding doen, laten we onze boel oppakken, we gaan naar het zuiden’, zou ik daartoe geneigd zijn. Om alleen nog terug te komen voor een enkel project. Ik heb Hotel Hollandia gedaan dat zo mislukte. Die ellende is het me niet meer waard. Een programma waar ik zelf niet zoveel over te zeggen had, waar ik ingezogen werd. Ik zou daar nu wel tien keer over nadenken. 

Ik denk steeds vaker bij nieuwe stappen: de energie, de emotie, eventuele teleurstelling, wil ik dat nog wel? Ik heb daar, nu ik ouder word, niet zo’n zin meer in. Een programma als Een vergetelijk mooie reis, waarin we in Benidorm het onderwerp dementie belichten, was ook moeilijk en zwaar, maar dat kan ik wel. En ik ben nu bezig met een programma vanuit een Rotterdams ziekenhuis, waar ik acht dagen lang twaalf uur meeloop, dat kan ik ook. Maar over amusement moet je goed nadenken. Past het nu en past het mij? In café Eik en Linde neem ik een podcast op, De Leeuw brult verder, op de plek waar vroeger Ischa Meijer zijn radioprogramma deed. Ik zat toen vaak in het publiek en vond het fantastisch. 

Nu zit ik er zelf te interviewen. Het wordt goed beluisterd, zeker door een wat ouder publiek. Ik werk daar consciëntieus aan, ik behandel geen boek als ik het niet zelf heb gelezen. De gasten zijn altijd blij, het publiek waardeert het. Geen miljoenen-publiek, maar dat hoeft ook helemaal niet. Het is een stil juweeltje. Dat past me nu.De kreet ‘Vroeger was alles beter’, voorkom ik. Ik wil geen zurige man worden die omziet in wrok. Niet jaloers zijn, maar een jongere generatie waarderen. Ook al denk je: ik versta ze niet en ik begrijp niks van hun tekst, wat is hier nou het succes van? Fuck it, ga er in mee. Ik ben heel rustig bezig met het feit dat ik een leeftijd heb waarop ik links en rechts word ingehaald. Soms haal je ze weer terug in, maar het is toch een ander pad. Bij Beste zangers was ik de oudste en het was fantastisch met Snelle en Bente te werken. Bentes interpretatie van Believe van Cher, wat mijn lievelingsnummer is: geweldig. Het is voor mij zo’n belangrijk nummer, omdat het mij zo trof rond de dood van de broer van mijn beste vriend. Bente maakte een jongere versie in het Nederlands, dat raakte mij. Ik denk er nu aan om die versie te gaan zingen op mijn verjaardagshows in Ahoy met weer een eigen draai van mij.

Paul de Leeuw

Ik geniet nog enorm van het werken. Ik voel me ook heel goed momenteel, al weet je het natuurlijk nooit. Dat is het vervelende van het leven. Ik zit nu hier, op een donderdagmorgen, niks aan de hand, maar morgen kan het allemaal zomaar over zijn. Maar al heb ik wel blaaskanker gehad, mijn genen zijn goed. Mijn ­vader is 88 geworden, mijn moeder is 94. 65 is wel een getal, hè, dat heb ik straks alvast gehaald. Maar het is niet zo dat ik nu plotsklaps gezonder ben gaan leven. Ik heb af en toe een sigaret opgestoken, maar vijftien jaar geleden ben ik definitief gestopt. Toen mijn zoon 6 was, ging hij door het lint toen ik met vrienden er gezellig eentje opstak. Dat hakte er bij mij in. Er stond ineens een hysterische kanarie naast me. Ook de blaaskanker deed me beseffen dat je beter niet kunt roken. Maar drank, ja, daar geniet ik nog steeds van. Ik fiets wel veel en ik ga naar de sportschool. Afvallen heeft me flink geholpen, mijn knieën gaan beter. Door Mounjaro-afslankinjecties, waardoor ik 20 kilo kwijt ben, is mijn algehele trek en mijn liefde voor mayonaise en bitterballen enorm afgenomen. Dat is iets heel raars. Ik heb nóóit meer trek. Ik ben 10 juni 2025 begonnen met die injecties en nu ben ik aan het afbouwen. 

Ik ben erg benieuwd wat er met me gebeurt als die trek weer terugkomt. Toen ik met die behandeling begon, vond ik het heftig. Ik was emotioneel. Niet vrolijk. Dan was ik met mijn man in een restaurant en zei hij: ‘Waarom zou je dat allemaal bestellen, het is veel te veel.’ En dan zei ik: ‘Nee, nee, nee, het is gezellig.’ Maar na drie gangen kon ik al niet meer. Dus ja. Je mist wel iets in je leven.De laatste tijd staat in het teken van de mantelzorg voor mijn moeder. Ze was plots opgenomen in het ziekenhuis. De doktoren zeiden dat ze nog maar even te leven had. We hadden ons al helemaal voorbereid, zelfs de begrafenis al in werking gezet. Ze lag daar en dacht: ik heb nog maar vier dagen. Maar dat werd steeds langer en uiteindelijk heeft ze die ziekte overwonnen. Nu is toch de vraag: hoe lang duurt het nog? Ze heeft hartfalen en het vocht gaat niet meer weg. Ma weet: het is eindig. Maar ze wil niet dood. Ze is nog steeds een actieve moeder die allerlei dingen wil doen. Ik probeer drie keer in de week naar Rotterdam te gaan, naar het verzorgingstehuis waar ze nu is. Maar dan krijg ik telefoon en hoor ik dat ik toch ineens met haar naar vriendinnen moet rijden die in het golfclubuis in Rhoon zitten. Ondanks haar ademhalingsproblemen. Vanwege de vochtopeenhoping mag ze maar een liter per dag drinken. Ze is gek op tomaten en augurken op zuur, maar dan drinkt ze dat vocht uit zo’n potje ook op. Zeg ik: ‘Ma, doe nou niet, dat gaat ook weer in die ene liter zitten.’ 

Paul de Leeuw

Ze is eigenwijs. En je wilt haar niks onthouden. Er komen nog veel mensen op bezoek, vriendinnen, familie. Omdat ma nog echt meedoet. Ze is helder, volgt alles, het is er gezellig. Als ik ook maar even tijd heb, ga ik naar Rotterdam. Dan ga ik om half tien weg, om drie uur ben ik dan weer thuis en dan ga ik koken. Ik heb wel een soort van rust in mezelf gevonden en dat vind ik fijn. De kunst van ouder worden is toch: je erop voorbereiden dat waar je zo gewend aan bent, het altijd in de picture staan, op een moment voorbijgaat. Het is een soort therapie in nederigheid. Krenten uit de pap halen, dat gaat mij nu goed af. Ik moet niet bang zijn, niet denken: oh, maar als ik nee zeg, kom ik nooit meer op tv. Het is de kunst tegen mezelf te zeggen: als ik dan op tv kom, moeten de mensen denken: zo, dat is goed wat ’ie doet. Die man voegt nog iets toe.”