5 vragen aan Annick Boer: ‘Er moet wat te lachen zijn, daar zit mijn kracht’

Gepubliceerd 17 augustus 2026
Randy Fokke
Beeld Randy Fokke

Actrice, cabaretière en zangeres Annick Boer (1971) zit in een goede fase van haar leven. In de liefde is ze nog nooit zo gelukkig geweest en ook qua werk gaat het haar voor de wind. “Tot voor kort maakte ik me altijd zorgen: heb ik volgend jaarnog wel werk? Allemaal angst om niets.”

Over Annick Boer

Annick Boer (1971, Hilversum) studeerde in 1994 af aan de Kleinkunstacademie in Amster-dam. Als actrice en cabaretière staat ze al dertig jaar op het toneel – in toneelstukken, concerten, musicals en haar eigen cabaretvoorstellingen. Op tv doet ze diverse persiflages bij De tv kantine, Kopspijkers, Cojones en Kanniewaarzijn. Ook is zij de stem van Dory in de tekenfilms Finding Nemo en Finding Dory. Ze deed onlangs mee aan Last one laughing. Vanaf dit najaar staat ze met Paul de Leeuw, Renée de Gruijl, Martijn Kardol in de cabaretmusical Wij zijn toch familie. In 2027 gaat haar cabaretvoorstelling Vol erin! in reprise. Annick won twee Musical-awards, een Beeld & Geluid-award en de Pisuisseprijs.

Hoe gaat het met je?

“Goed! De theatertour met mijn derde solovoorstelling Vol erin! zit er net op. Volgend jaar gaat de show in reprise. In de tussentijd speel ik – vanaf september – in de cabaretmusical Wij zijn toch familie met onder anderen Paul de Leeuw. Ik wissel het dus af: een half jaar een productie en een half jaar mijn solo. Zo’n productie met anderen voelt voor mij als een soort vakantie. Met collega-acteurs op pad is altijd lachen. Reuring in de bus. Dat wil ik niet missen. Niettemin ben ik blij dat ik sinds een jaar of zeven ook mijn eigen voorstellingen maak. Stiekem ben ik daar het meest trots op. Vooral omdat ik in eerste instantie zoiets had van: ik durf dat niet. En: ik kan dat niet. Dat denk ik vaker. Om het uiteindelijk toch gewoon te doen. 

Wat me over de drempel hielp? Nou… Ik speel al honderd jaar in voorstellingen, musicals en doe persiflages voor allerlei programma’s. Als ik bij een van die producties een grap maakte tijdens de repetities mocht die vaak in het stuk blijven. Dat is vrij ­bijzonder, want meestal moet je je strak aan het script houden. Dus ik dacht: blijkbaar zijn mijn grappen leuk. Waarom schrijf ik niet zélf een voorstelling? Daarnaast vond ik het tijd worden om eens wat meer van mezelf te laten zien. Vanaf mijn 25ste zit ik in programma’s als De tv kantine, Het klokhuis en Kanniewaarzijn. Maar altijd verkleed. 

Onherkenbaar in een dik-maak-pak of met een grote pruik op. Dus niemand die weet wie ik ben en wat ik doe. Wat ik vaak hoorde, was: ‘O, ben jij dat die Eva Jinek nadoet’ of ‘Ben jij Dory in Finding Nemo? Ik dacht al: ik herken die stem.’ Om wat meer bekendheid te krijgen als mezelf, ben ik wat vaker televisiedingen gaan doen zoals Wie is de mol?, De verraders en onlangs nog Maestro. Dat hielp enorm. Mijn zalen zitten inmiddels vaak vol. Maestro vond ik overigens een geweldige ervaring. Ik dacht dat ik een leuk vak had, maar dirigeren is minstens zo fantastisch. Ik ging er helemaal in op, studeerde wel tien uur per dag om een partituur erin te krijgen. Uiteindelijk vloog ik er in de halve finale uit. En dat was maar goed ook, want niet veel later ging mijn solovoorstelling in première. Kon ik nog net op tijd mijn focus daarop richten.”

Je zit al meer dan dertig jaar in het vak, wilde je dit als kind al?

“Ja. Er ging vroeger geen familiefeest voorbij zonder dat mijn nichtje Plien (Van Bennekom, van het duo Plien en Bianca – red.) en ik ons verkleedden en optraden. Ik ben met haar opgegroeid, we schelen twee dagen en woonden praktisch naast elkaar. Ze was weliswaar een nichtje, maar voelde meer als een zus. In onze familie werd veel muziek gemaakt door onze ouders. En onze oma kon heel goed verhalen vertellen. We hingen aan haar lippen. Bovendien kon je met haar lachen. Ze zei altijd: ‘Als ik in jullie tijd had geleefd, was ik ook naar de Klein-kunstacademie gegaan.’ Oma vormde het centrum van onze opvoeding. Ze kwam veel bij ons over de vloer. Dan zat ze op een stoel de was te vouwen. We speelden met haar vaak ‘de koning en de lakei’. Oma was publiek en een van ons de koning, de ander de lakei. 

Ik ga er echt niet beter van spelen als iemand me kleineert

De koning mocht zeggen welk optreden hij wilde zien. ‘Ik wil graag André Hazes,’ riep-ie dan. Nou, dan ging de lakei naar de gang, snel omkleden en vervolgens stond je dan in de woonkamer Hazes te zingen. Dat ging de hele middag zo door. Plien en ik waren destijds een twee-eenheid, we deden alles samen. Als zij pianoles had, ging ik mee en andersom. Bij ballet wachtten we op elkaar, zodat we samen naar huis konden fietsen. Dus ergens was het wel gezond dat ik in 5-vwo bleef zitten en we niet meer de hele tijd samen waren. Toen Plien auditie deed voor de Klein-kunstacademie, begeleidde ik haar op piano. Ik vertelde de jury dat ik het jaar daarop terug zou komen. ‘Er zitten op deze school nooit twee mensen uit één familie,’ was het bemoedigende antwoord. In die tijd zaten er maar 22 mensen op de hele opleiding. Toch lukte het me erop te komen. Ik heb serieus toneel gedaan, maar net als Plien, ben ik meer van de humor. Er moet wat te lachen zijn. Daar zit ook mijn kracht. Ik heb er een voelspriet voor om op het juiste moment een grap te maken. Timing is alles in ons vak. Eén seconde te vroeg of te laat en niemand lacht.”

Randy Fokke

Tijdens je solovoorstelling is dat wel het laatste wat je wilt, toch?

“Als grappen niet vallen, is dat heel ongemakkelijk. In je eentje op een podium staan, is sowieso al eng. Kwetsbaar. Ik voel altijd gezonde onzekerheid. Daar is niks mis mee. Het houdt je scherp. Je moet in dit vak nooit denken: ik kan het wel of het komt wel goed. Zo werkt het niet. Mijn solovoorstellingen deed ik drie dagen in de week. Een tijdje terug was ik heel druk met mijn ouders. Ze gingen naar een verzorgingshuis en ons ouderlijk huis moest leeg. Mijn hoofd zat vol met to-dolijstjes. Dit naar de kringloop, dat naar de stort… Ik had toen weleens een dag waarop ik me niet helemaal kon voorbereiden. Dat merk je dan meteen ’s avonds als je speelt. Dan zit je er nét niet helemaal in. Ik ben ook op mijn best als ik ver weg van huis ben. Op plekken waar ik niemand ken. Dan ben ik ontspannen, durf ik meer. Rond Amsterdam ben ik altijd bang dat er iemand uit het vak in de zaal zit die er dan wat van vindt. Blijkbaar trek ik me de mening van anderen aan. Al krijg ik daar steeds meer schijt aan.

Dat hele MeToo-gebeuren, dus dat we aardig moeten zijn voor elkaar, niet meer mogen schreeuwen naar een ander, werkt goed voor mij. Ik kan niks als een regisseur onaardig doet, me niet ziet staan of onterecht de pik op me heeft. Vroeger werden we keihard aangepakt, dat was normaal. Je werd als jonge actrice niet gespaard. Ze zeiden de lelijkste dingen tegen me. Met als excuus: dit is een hard vak. Tuurlijk. Klopt. Maar ik ga er echt niet beter van spelen als iemand me kleineert. Aan de andere kant heeft het ook geen zin om alleen maar ­poezelig te doen. Je moet wel iets neerzetten. Ik ben op mijn best als een regisseur me vertrouwen geeft en in me gelooft. Of misschien is zelf­vertrouwen ook wel iets dat met de jaren komt. 

Robs kleinzonen zijn mijn grootste geluk ever

Nu pas weet ik dat qua werk alles altijd goed komt. Tot voor kort maakte ik me daarover zorgen. Ik dacht altijd: heb ik volgend jaar nog wel werk? Ik durfde om die reden nooit een groot huis te kopen, terwijl ik behoorlijk goed verdien. Het bleek allemaal angst om niets. Er kwam altijd wel iets nieuws voorbij. Aan de andere kant, door nooit een hoge hypotheek aan te gaan, heb ik nu wel met mijn eigen geld mijn solovoorstellingen kunnen produceren. Dat geeft mij toch een stuk artistieke vrijheid. Overigens hebben mijn man Rob en ik niets te klagen; we wonen in een leuk huis in Amsterdam. Klein, maar fijn. Daarnaast maken we mooie reizen en doen we leuke dingen zoals fietsen in de natuur.”

Jij bent al twintig jaar met dezelfde man. Is jullie relatie veranderd?

“Nee, er is niet veel veranderd. Ik vind hem nog net zo leuk als in het begin. We kunnen heel goed samen zijn. Rob is ontzettend stabiel. Al gebeuren de grootste rampen om hem heen, hij blijft rustig. Voor mij is dat heel prettig, want ik kan nog weleens in paniek schieten. Door hem ben ik veel meer in balans. Ik kan wel zeggen: ik ben in de liefde nu echt op mijn gelukkigst. Rob heeft twee kleinzonen, een van negen maanden en een van drie jaar oud. Samen passen we een dag in de week op. Het is geweldig hem als opa bezig te zien. En ik denk dat hij mij ook leuk vindt, in deze nieuwe rol. Het is in elk geval mijn grootste geluk ever. Als je een dag met de kinderen bent, bestaat er niks anders. Je denkt niet aan je werk of andere beslommeringen… je bent gewoon in het moment. Ik heb het idee dat kinderen de wereld verzachten. Als ik op straat loop achter de kinderwagen reageert iedereen positief op ons. De meest chagrijnige vrouw glimlacht. 

Jongens op fatbikes stoppen om even een gekke bek te trekken richting de baby zodat hij gaat lachen. Zo mooi. Ik had zelf ook graag kinderen gewild met Rob. Ik was ook zwanger, maar dat liep helaas anders. Er zijn altijd wel kinderen in mijn leven geweest. Mijn stiefzoon uit een eerdere relatie ken ik vanaf zijn derde en zie ik nog steeds. En natuurlijk Robs dochter die ik al twintig jaar om me heen heb. Maar dit is de eerste keer dat ik baby’s meemaak. Geweldig. Het zijn wel twee handenbindertjes hoor. Die van negen maanden stapt al rond, dus je moet ogen voor en achter hebben. We spreken elkaar nauwelijks op zo’n oppasdag. Het is bewonderenswaardig hoe jonge ouders dat tegenwoordig doen. Al die ballen hooghouden.”

Hoe ga je om met ouder worden?

“Ik heb er niet veel problemen mee. Kijk, je lichaam verandert. Je krijgt rimpels, alles gaat wat meer hangen. Ik laat de natuur maar gewoon z’n gang gaan, want ik houd niet van botox of fillers. Dat vind ik niet nodig, ik zie er prima uit voor een vrouw van 55. Het is jammer dat ik dat zekere gevoel over mezelf nú pas heb. Vroeger dacht ik altijd dat ik heel lelijk was. Op het strand durfde ik me nauwelijks te vertonen. Terwijl als ik nu foto’s terugzie van toen, denk ik: idioot. Ik was hartstikke knap. Geen idee waarom ik destijds zo’n vertekend zelfbeeld had. Misschien omdat ik op de Kleinkunst-academie dik was? Ik kreeg tenminste toen altijd de dikke-vrouwenrollen. De kilo’s vlogen eraan door een ongezond studentenleven. Pas toen ik van school af ging en een rol als sexy ­verpleegster kreeg, ben ik twintig kilo afgevallen. Maar blijkbaar viel ik toen nog niet af in mijn hoofd.

Nu ik ouder word, let ik ook weer meer op mijn levensstijl. Als ik toer, drink ik nauwelijks en ik sport. Doordat mijn ouders steeds afhankelijker worden, maak ik van dichtbij mee hoe het is om ouder te worden. Samen met mijn broer en zus en wat vrienden van mijn ouders zorgen we ervoor dat hun nieuwe leven in het verzorgingshuis doorgaat zoals ze dat gewend waren. Dus we halen ze op om naar het theater te gaan, naar de zang of een etentje. We willen niet dat ze vereenzamen. Het gros van mijn vrienden is mantelzorger. Slechts een enkeling heeft mazzel met een vader of moeder als Jenny Arean die nog op haar 83ste in haar eentje naar mijn voorstelling komt en daarna ook weer zelf met de tram teruggaat. Geweldig. Zo kan je ook oud worden. 

Je moet een beetje geluk hebben. Heb je dat niet, dan hoop je dat er naar je omgekeken wordt. Mijn ouders hebben altijd goed voor mij gezorgd, dus ik vind het fijn iets voor hen terug te kunnen doen. Bovendien ben ik gewoon graag bij ze. Al krijg je soms wel een confronterend voorland voorgeschoteld. Ik realiseer me hierdoor wel steeds vaker: het leven is niet later… het leven is nu.”

Dit artikel verscheen eerder in Zin 8/9 2026.