Nadat Marleens vader is overleden, eist haar ex-man Herman geld op uit de nalatenschap van haar moeder. Zijn redenering: hij en Marleen waren in gemeenschap van goederen getrouwd.
Marleen en Herman (inmiddels beiden 67) leren elkaar in 1993 kennen. Ze zijn dan begin 30 en hebben beiden een relatie achter de rug. Herman is erg verliefd en wil het liefst direct samenwonen. Marleen kijkt de kat uit de boom. Ze heeft veel verdriet gehad van haar scheiding en durft zich niet goed meer te binden. Herman doet er alles aan om haar voor zich te winnen. Uiteindelijk krijgen ze een relatie. In 1996 kopen ze een appartement en gaan ze samenwonen.
In 1999 overlijdt Marleens moeder. Voor Marleen is dat een grote klap. Herman is in die periode een steun voor haar. In 2002 trouwen Marleen en Herman. Voor Marleen hoeft dat eigenlijk niet, maar Herman wil het graag. Kinderenkomen er niet. Die passen niet in hun drukke levens, vinden ze allebei. Marleen en Herman werken ieder fulltime, ze hebben veel vrienden en kennissen, ze bridgen, maken stedentrips en gaan vaak metvakantie. Ook hebben ze ieder een paar petekinderen, neefjes en nichtjes die geregeld komen logeren bij hun oom en tante.
|
De zaak: Marleens moeder is overleden in 1999, drie jaar voordat Marleen en Herman trouwen. Marleen en haar zussen ontvangen hun erfdeel op dat moment nog niet. Ze moeten daarop wachten totdat ook hun vader overleden is. Dat gebeurt 22 jaar later. Marleen en Herman, die in 2002 in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, zijn op dat moment gescheiden. Herman beweert dat hij recht heeft op de helft van wat Marleen van haar vader heeft geërfd. Heeft hij gelijk? De inzet: Is een vordering van €50.000 onderdeel van de gemeenschap van goederen? |
Herman raakt verbitterd
In 2015 krijgt Herman problemen op zijn werk. Hij krijgt een nieuwe leidinggevende, met wie hij niet goed kan opschieten, en hij loopt twee keer een promotie mis. Daardoor raakt hij verbitterd. Hij reageert zich af op Marleen en gaat steeds meer drinken. Zij voelt zich vaak onveilig. Ze gaan in relatietherapie. Daarna gaat het beter, maar dat duurt niet lang. Herman wordt ontslagen. Hij verveelt zich en drinkt inmiddels ook overdag. Hij maakt ruzie met hun vrienden en van hun drukke sociale leven blijft weinig over. Tegenover Marleen gedraagt hij zich agressief. In 2020 is voor Marleen de maat vol. Zij wil scheiden.
Ze spreken af dat Herman in het appartement blijft wonen totdat het is verkocht. Marleen huurt een appartement in de gemeente waar haar vader en haar zussen wonen. Herman en Marleen zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Ze verdelen hun spaargeld en hun spullen. Ze leggen in het echtscheidingsconvenant vast dat ze hun pensioen niet delen. Ook leggen ze vast dat ze geen aanspraak zullen maken op de erfenissen van hun langstlevende ouder. Op dat moment leven Marleens vader en Hermans moeder nog.
De helft van haar kindsdeel van toen
Vlak na de scheiding overlijdt Hermans moeder. Herman erft €25.000. Een jaar later, in 2021, overlijdt Marleens vader. Marleen erft een groot bedrag. Twee jaar na de scheiding wordt hun appartement verkocht. Herman en Marleen hebben geen contact meer met elkaar. In 2026 krijgt Marleen opeens een mailtje van Herman waarin hij schrijft dat hij recht heeft op de helft van het kindsdeel dat Marleen heeft geërfd toen haar moeder overleed.
Dit geld is destijds niet uitgekeerd, maar zou uitgekeerd worden na het overlijden van haar vader. Marleen mailt terug: ‘Jij hebt gratis in ons appartement gewoond terwijl ik iets moest huren. Jij had over die periode de helft van mijn huur moeten betalen.’ Daar wil Herman niets van weten. ‘Daar hadden we geen afspraak over’, mailt hij. ‘Maar op de helft van jouw kindsdeel in de nalatenschap van je moeder heb ik wettelijk recht.’
Marleen zou haar kindsdeel pas krijgen nadat ook haar vader was overleden. ‘Stond er een uitsluitingsclausule in het testament van Marleens moeder? Dat is hier de belangrijkste vraag. Als er een clausule is waarin is bepaald dat alleen de eigen kinderen erven en dat de nalatenschap niet terechtkomt in een algehele gemeenschap van goederen waarin een kind huwt, zou Herman geen recht hebben op de helft van het kindsdeel. Marleen liet het testament van haar moeder zien. Daar stond geen uitsluitingsclausule in.”
Een uitleg van de erflater
“Het ontbreken van die uitsluitingsclausule is opmerkelijk. Voor notarissen was het gebruikelijk om mensen te wijzen op het belang ervan. Waarom zou Marleens moeder deze clausule niet in haar testament hebben laten zetten?
Marleen was al eerder getrouwd geweest, dus haar moeder had al een scheiding van één van haar kinderen meegemaakt. En dan toch geen uitsluitingsclausule. We zullen nooit weten wat de reden hiervan was, omdat het testament hierover helaas geen informatie geeft. Daarom ben ik een voorstander van een considerans. Dat is een inleiding in een testament, waarin de erflater uitlegt waarom hij of zij bepaalde keuzes maakt. Dan blijven nabestaanden niet achter met onbeantwoorde vragen. Toen Marleens moeder overleed, kreeg Marleen op basis van het testament van haar moeder haar erfdeel niet in handen. In plaats daarvan kreeg zij een vordering op haar vader. Omdat het testament geen uitsluitingsclausule bevat, werd deze vordering onderdeel van de gemeenschap van goederen toen Marleen en Herman trouwden.
Overigens kunnen er bij een echtscheiding ook problemen ontstaan als er wel een uitsluitingsclausule was geweest, want je moet het geld dat je erfde wel apart houden of apart administreren. Vaak is het geld op de grote hoop terechtgekomen en bijvoorbeeld gebruikt voor vakanties. Zie dan maar te bewijzen hoe het precies zit. Daar zijn heel wat rechtszaken over gevoerd met alle gevolgen van dien.Voor huwelijken die zijn gesloten vanaf 1 januari 2018 geldt slechts een beperkte gemeenschap van goederen. Dan vallen bezittingen die iemand voor het huwelijk al had en erfenissen en schenkingen automatisch buiten deze beperkte gemeenschap van goederen.
In de stukken die Marleen mij liet zien, zag ik dat haar ouders op het moment dat haar moeder overleed 1,1 miljoen gulden bezaten, dus zo’n €500.000. De helft daarvan was van haar vader, dus de nalatenschap bedroeg €250.000. De vader en de vier kinderen erfden ieder een deel, dus €50.000. Dat betekent dat Marleen een vordering van €50.000 had op haar vader.
Maar ik zie ook dat vader en de kinderen in 2001 in een notariële akte van ‘verdeling nalatenschap’ zijn overeen-gekomen het ouderlijk huis toe te delen aan de vier kinderen. Een paar maanden later verhuisde vader naar een appartement en verkochten de kinderen het huis.”
Het kindsdeel was al uitgekeerd
“Volgens de akte van ‘verdeling nalatenschap’ was de waarde van het huis 450.000 gulden, dus ongeveer €204.000. De vier kinderen hebben toen dus elk €50.000 ontvangen. Dat bedrag is ongeveer hetzelfde als de vordering die de kinderen op hun vader hadden. Dus toen Marleen en Herman in 2002 trouwden, was er zeer waarschijnlijk geen vordering meer op vader, omdat het kindsdeel al was uitgekeerd. Dat geld is in de gemeenschap van goederen terechtgekomen en daar heeft
Herman van kunnen profiteren. Tot de scheiding, en toen is het vermogen van beiden verdeeld. Inclusief de vordering waarvan Herman dacht dat deze nog zou bestaan. Voor Marleen was dit een geruststelling, want ze had het heel oneerlijk gevonden als ze zoveel jaar na de scheiding nog geld aan Herman had moeten betalen.”