André van Duin: ‘Ik ben altijd een zonnekindje geweest’

Dat ik op 4 mei mijn dankbaarheid voor vrijheid mocht uitspreken. Mijn vader zou zo trots zijn geweest
Gepubliceerd 20 mei 2026 | Bijgewerkt 2 september 2026
André van Duin
Beeld Getty Images

Hele generaties rolden van de bank van het lachen als de shows van André van Duin op televisie waren. Nu kennen we ook een andere kant van hem: die van Aznavour-zanger, 4 mei-spreker en veelzijdig acteur. ‘Ineens zeiden ze: hij bedoelt meer dan ’ie zegt.’

André van Duin (1947, Rotterdam) geldt als onze grootste volkskomiek. Zijn radiowerk, revues, televisieoptredens, carnavalskrakers, acteerprestaties en chansons maken hem misschien wel de veelzijdigste artiest van ons land. ‘Mijn geluk is dat er heel veel goede zangers en acteurs zijn die steeds een hit moeten hebben, vanwege de concurrentie, maar van volkskomieken zijn er niet zoveel.’

‘Vroeger zat ik graag op mijn kamertje boven. Samen met mijn radio. Dan luisterde ik als kind naar programma’s waarin werd gelachen. De bonte dinsdagavondtrein. En naar Wim Sonne-veld, Dorus, Snip en Snap. Dat je mensen kon laten lachen, frappeerde me. Het ging in mijn hoofd zitten: later wil ik ook komiek worden. Al snel trad ik op, bij bruiloften en partijen of als de meester van de klas jarig was. Sketchjes, grapjes. Op straat riepen ze ‘Rooie!’ naar me en dan riep ik: ‘Lange!’ of ‘Je zal je ouwe moeder bedoelen’. Vanuit de verdediging probeerde ik een lach te veroorzaken. En ik had dan wel rood haar, maar dat hadden de clowns in het circus en Stan Laurel en Danny Kaye ook. Ik dacht: zie je wel, die kant moet ik op. Ik ben mijn ouders ontzettend dankbaar, ze gaven me een onbezorgde jeugd. Nooit hebben ze ergens een probleem over gemaakt. 

Niet toen ik bij ze aankwam met mijn voornemen artiest te worden, niet toen ik naar buiten kwam met mijn homoseksualiteit. Als je hoort hoeveel jongens narigheid thuis hebben gehad; zoveel ruzies, zweetdruppels en toestanden. Mensen die elkaar niet meer zagen. Jongens die het huis werden uitgezet, zoals mijn overleden man Martin. Je kunt het je niet voorstellen, maar vroeger kwam in mijn omgeving  homoseksualiteit niet voor. Ik was er ook totaal niet mee bezig. Ik werd opgeslokt door mijn wens komiek te zijn. Maar toen ik mijn ouders vertelde dat ik op jongens viel, was hun reactie: leven en laten leven, het allerbelangrijkste is dat jij gelukkig bent en het leuk hebt. Er is met geen woord meer over gesproken en ik vond dat niet erg, omdat ik voelde dat zij mij altijd zouden nemen zoals ik was. Die mensen hielden enorm van mij.

Wie is uw favoriet voor de Plus Impact Awards? Stem nu!

genomineerden plus impact awards nieuw

Ik was enig kind, ik was alles waarvoor ze moesten zorgen, we hadden verder enkel nog een poes en een hond. Gelukkig hebben ze allebei een groot gedeelte van het succes mogen meemaken. Al overleed mijn vader jong, hij was pas 67. Net gepensioneerd, net begonnen met zijn volkstuintje en toen begaf hij het. Mijn moeder hield het vol tot haar 74ste. Ze werd aangereden door een taxi en overleed aan de complicaties. Ik heb haar karakter: nuchter, gewoon. Ze liet zich door niks meeslepen. De wens van mijn ouders is uitgekomen. Ik heb het altijd leuk gehad. In deze tijd leven we langs de rand van de vulkaan, maar ik ben heel blij dat we al tachtig jaar geen narigheid hebben. Ik ben net in de goede tijd geboren. 

Andre van Duin

Ik ben altijd een zonnekindje geweest

De vrolijkste kant van het leven heb ik meegemaakt.Mijn gelukkigste momenten waren als ik mocht optreden. Improviseren werd al snel mijn kunst. Ik was rolvast, vanuit daar ging ik los. In de revue kon een scène zomaar twintig minuten duren, dan gingen we maar door. Ik heb altijd goede aangevers gehad: Ferry de Groot, Frans van Dusschoten, Corry van Gorp, Hans Otjes, Ron Brandsteder, Simone Kleinsma… Mijn geluk is: de goede mensen tegenkomen op het juiste moment. Theo Rekkers, Joop van den Ende, Jan Slagter. Mensen die wat in mij zagen en mij de gelegenheid gaven. Je kunt wel zeggen: ‘Ik wil weer aan de slag’, maar als je niet wordt gevraagd, gebeurt het niet.

Nu denk ik weleens: ik heb het hoogst haalbare mogen bereiken: de Toespraak op de Dam op 4 mei 2021. Wanneer word je daar nou voor gevraagd? Gerdi Verbeet, voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, dacht: wie spreekt het hele volk aan? Wie is echt generatie- en klasse-overstijgend? Zij kwam op mij en heeft blijkbaar de overtuigingskracht gehad om dat idee door te duwen bij de rest van het comité. Dat je zo’n kans krijgt, zoiets mag doen! Dat ik mijn dankbaarheid voor vrijheid mocht uitspreken, mocht vertellen dat vrijheid niet vanzelfsprekend is en dat ook ik verantwoordelijk ben om die vrijheid door te geven aan een nieuwe generatie… Ik weet zeker dat mijn vader heel trots was geweest. 

Misschien is dat wel mijn rol geworden. Vroeger was het: als de mensen maar lachen, dan is het goed. Maar humor is ook een middel om mensen te verbinden. Mensen zeiden weleens over mij: al die flauwe onderbroekenlol. Door de Dik voormekaar show kwamen de jongeren en het studentikoze publiek eropaf. En later zeiden ze ineens: het is  toch wel leuke humor, er zit meer achter, hij bedoelt meer dan ’ie zegt. Toen werden de Revue-sketches ineens geanalyseerd en was het allemaal heel knap wat ik deed, hahaha! Humor relativeert en kan mensen bijeenbrengen. Niets is fijner dan samen lachen. 

Ik ben wat dat betreft soms wel blij dat ik nu geen 20 ben,

…want de toekomst zie ik somber tegemoet. Er is in de wereld wel heel veel gedoe en ik zie overal korte lontjes. Dit mag niet meer en dat kan niet meer. Maar humor gaat altijd ten koste van iemand, het gaat over je schoonmoeder of een Belg. Je wilt geen mensen kwetsen, maar je moet elkaar wel kunnen kietelen. De humor beperken? Dat kan niet. In de liefde ben ik nooit lang alleen geweest. Het is altijd fijn, zeker op een wat gezegende leeftijd, dat er iemand is die je naar je kijkt en voor je zorgt. Een thuisfront dat met je meeleeft, achter je staat, met wie je alles kan bespreken. Ik heb veel bewondering voor mijn partners. Het lijkt me verschrikkelijk te moeten leven met iemand van wie iedereen altijd zegt: ‘Aaah, daar is-ie hoor!’ 

Mijn huidige partner Fernando komt zelf ook uit het vak. Hij heeft veertig jaar gedanst in Spanje, dus als we daar zijn is hij de beroemdheid. Ik vind dat prima. Ik versta die mensen niet eens, hij spreekt vloeiend Spaans, helemaal goed. Steeds de goede partner tegenkomen is mazzel hebben. Ik ben al twee keer weduwnaar geworden. Dan is het toch geweldig als je weer iemand treft. Terwijl ik na de dood van Martin dacht: dit was het nu wel. En toch, bij toeval, kwam er een telefoontje van Fernando, een oude bekende. Uiteindelijk kun je dan toch weer van iemand houden.

Later als ik groot ben? 

Nou, ik heb inderdaad helemaal niet het idee dat ik bijna 80 ben. Ik weet nog goed dat in mijn kindertijd de zoon van mijn buurman 30 was. Die had al een gleufhoed op. Ik vond dat een oude man. Ik sta nog midden in het leven. Ik werk veel. En mensen op straat vinden het leuk, praten met me, ik hoor er nog helemaal bij. Dat vind ik erg belangrijk. Als je thuis gaat zitten, stopt met werken en gaat wachten tot het leuk wordt, is het snel afgelopen. Als je de kans krijgt en het qua gezondheid en qua werk aankan? En mensen je ergens voor vragen? Dan moet je dat met beide handen aanpakken.Ik kijk soms naar oude foto’s en denk dan: die is er niet meer, die niet en die ook al niet. Dat doet me wel wat. 

Als je ouder wordt, kan het kaler en schraler worden. Mijn geluk is dat ik een beroep heb waarbij ik veel jongere mensen tegenkom. Ik ga met Janny van der Heijden een programma maken over diertjes, de redactie bestaat uit allemaal jonge mensen. Als ik bij hen de naam Wim Sonneveld noem, kijken ze me met grote ogen aan, geen idee wie dat was. Zij hebben het weer over dingen waar ik me over verbaas. Ik vind dat leuk, als je elkaar maar inspireert. Op straat zegt een nieuwe generatie: ‘Daar heb je die man van die taartjes.’ Hun vader laat dan op YouTube de oude sketches zien: kijk, dat deed die man vroeger.Het is een kwestie van steeds weer jezelf opnieuw uitvinden en steeds iets nieuws proberen te doen. 

André van Duin

Janny en ik hebben voor Denkend aan Holland inmiddels alle riviertjes in Nederland gezien, alle boswachters ontmoet en alle stroopwafels geproefd. We gaan nu Animal crackers integreren in een programma dat Beestenboel gaat heten. Heel lief, heel aaibaar allemaal. Met een bioloog, een dokter en veel lieve huisdiertjes. Veel meer werk dan met een bootje door Holland varen, maar ontzettend leuk. Ik denk dat we er in het najaar mee op televisie komen. Ik kom het verleden vaak tegen, maar ik leef meer in het nu en de toekomst. Als de zon weer gaat schijnen, hoor ik op alle radiozenders mijn liedje van veertig jaar geleden, maar ik zoek dat zelf niet op. Ik wil als jazzliefhebber nog wel af en toe een plaat van Sinatra of Aznavour opzetten. 

Dan laat ik de naald net boven de plaat hangen en zet Spotify op. Dan heb je toch de sfeer, maar ook de moderne kwaliteit en kun je de nummers overslaan die je niet zo mooi vindt. Al die technische mogelijkheden: ongelooflijk. Al vind ik AI levensgevaarlijk. Ze kunnen zo Trump iets laten zeggen waardoor alles ontploft. Maar AI is ook handig. Vroeger had ik mijn tuinhuis vol met apparatuur staan om de Dik voormekaar show aan elkaar te mixen, tegenwoordig heb je een laptop, een groot beeld, een microfoon en meer heb je niet nodig. Dat is toch fantastisch? In de tijd blijven is belangrijk. Ik heb al zoveel ommezwaaien in mijn leven gehad: met mijn werk, in de liefde, met huizen. Ik heb vijftig jaar de komiek uitgehangen, met alpinopetjes en noem alles maar op. Op een gegeven moment wordt dat een beetje zielig. Gelukkig is Joop van den Ende, die ik dagelijks zie, een goede vriend. We gingen dik tien jaar geleden samen zitten en besloten The sunshine boys in het theater te gaan doen: weliswaar een stuk met twee komieken, maar wel een heel serieus verhaal. En toen kwam mijn rol in Hendrik Groen, Heel Holland bakt kwam langs, zo rol je van het een in het ander. 

Steeds iets nieuws houdt je jong 

Toen de darmkanker in 2020 kwam, dacht ik: ze knippen het door – ik zeg het even simpel – en dan komt het weer goed. Ik lag in het ziekenhuis, de zon ging ’s morgens schijnen, Cor Bakker op de radio, ik ervaarde het als geweldig. Nou ja, geweldig, dat ook weer niet. In een ziekenhuis liggen is niet fantastisch, maar ik was niet zodanig ziek dat ik me heel slecht voelde. Mijn levenslust gaat niet zo snel weg. Al is het ook niet zo dat ik altijd maar zonnig om me heen kijk. Ik denk heus weleens: stel nou dat ik van de trap val en daar lig, moet ik niet eens een valdetectie-apparaat aanschaffen? Maar verder voel ik me nog erg vitaal. Ik neem in de ochtend een Davitamon, een vitamine B-pil en een ‘alief’ voor mijn rug. Dat is het eigenlijk. 

In de tijd blijven, is belangrijk. Op een gegeven moment wordt zo’n alpinopetje een beetje zielig

Sporten vind ik niks aan, op zwemmen na. Dan gebruik je al je spieren en het enige wat je kan gebeu-ren is verdrinken. Ik let ook niet extra op mijn eten, al neem ik weinig zoet. Ik drink Cola Light, ook niet gezond, maar geen alcohol. Ik doe ’s ochtends een beetje Nivea op mijn gezicht en dan ben ik klaar. Ik heb ook nog eens een paardengebit, ik heb nooit iets bij de tandarts. Afkloppen.Je moet proberen zo lang mogelijk mee te doen in de maatschappij. Je móet een reden hebben om ’s ochtends op te staan. Ik heb geen bucketlist. Alles wat ik wilde bereiken, heb ik wel zo’n beetje bereikt. Als ik kan doorgaan zoals het nu gaat, heb ik een heel geweldig leven. Ik hoop dat ik nog lang in het harnas mag blijven. Het kan toch niet zo zijn dat je elke dag in Spanje in je stoel aan zee gaat zitten wachten tot de zon weer eens een keertje ondergaat? Nee hoor, dóórgaan.”