Frits Spits: ‘Mijn zoon zei: papa, je hebt geen hobby’s, dus blijf maar wat doen’

‘Mijn vrouw Greetje maakte ooit de opmerking: God, was je thuis maar net zo leuk als op de radio’
Gepubliceerd 9 juni 2026 | Bijgewerkt 18 juni 2026
Janita Sassen/Lumen
Beeld Janita Sassen/Lumen

Na 52 jaar eindigde in december zijn roemruchte carrière. Frits Spits hield in zijn laatste radiojaar een dagboek bij. Terwijl de wereld op drift raakte, vond hij iedere dag troost en inspiratie in de muziek, de literatuur, de taal. “Al mijn emoties vertaal ik naar liedjes.”

Frits Spits (artiestennaam van Frits Ritmeester, Eindhoven, 1948) is het derde kind van vier. Zijn ouders waren schrijfster ­Hanny Meijer en huisarts Sam Ritmeester. Frits brak in de jaren 70 door als presentator van het iconische programma De Avondspits, werd dé stem van Hilversum 3 en maakte tot eind ­vorig jaar radio, met als laatste kroon­juweel De Taalstaat. “De stem is een ­instrument, dat moet je zo goed mogelijk gebruiken. Zo’n stem is een geluk dat je meekrijgt. Maar je moet nooit denken: wat heb ik een goede stem. Want dan gaat-ie ijdel klinken en weet je niet meer wat je zegt.” Frits trouwde in 1972 met Greetje Menger (overleden in 2018), ze kregen drie zonen. Tot zijn ongeloof vond hij nieuw geluk bij Lisette de Groot. Voor uitgever Luitingh-Sijthoff schreef hij Mijn laatste radiojaar, een dagboek vol persoonlijke ervaringen, mijmeringen en prachtige liedjesteksten.

‘Vroeger werd er bij ons thuis wel over de oorlog gesproken, maar altijd in de derde persoon. Alsof het ons niet aanging. Ik kwam als de derde van vier kinderen ter wereld, luttele jaren na de bevrijding. We waren een joods gezin, maar mijn moeder was zo beschadigd door de oorlog dat ze dat woord ‘joods’ niet eens over haar lippen kon krijgen. Haar ouders zijn vergast in Auschwitz en dat heeft zij gedurende de rest van haar leven nooit willen onderkennen. Altijd zei ze dat haar vader op de vlucht was doodgeschoten en dat haar moeder al voordat zij op transport ging, stierf in het Apeldoornse bos.

Doe mee met de AOW-Quiz en maak kans op 1 maand AOW. Netto!

Dat was helaas niet zo, ik heb later ontdekt hoe het echt zat. Maar ik heb het mijn moeder nooit kwalijk genomen dat zij die draai aan het verleden gaf, omdat ik ­begreep dat ze ons, haar kinderen, wilde vrijwaren voor de verschrikkingen van het naziregime. Zij hoopte dat wij een gelukkiger leven zouden leiden, zonder die haat, zonder die na-ijver, zonder wat nu weer aan de gang is. Ik ben haar daar zeer dankbaar voor. Mijn moeder was wijs en kon fantastisch schrijven. Ze heeft de tekst van Ik ben gelukkig zonder jou voor Conny Vandenbos gemaakt. En ze heeft gepubliceerd over de Prinses Irene-brigade waar mijn vader deel van uitmaakte, de Engelandvaarders.Mijn ouders gaven ons de liefde voor de medemens mee. Sociaal denken; je bent niet alleen op de wereld. De liefde voor de taal, de muziek en de literatuur werd ondertussen met de paplepel ingegoten. 

Maar de weg die ik ben ingeslagen, naar de popmuziek, was een authentiek verlangen. Ik liep op mijn vierde al achter het draaiorgel aan en toen ik 8 was, kreeg de magie van de radio me te pakken. Mijn vader was huisarts en had een radiootje in de wachtkamer staan. Als je ziek was, mocht je dat bij je bed zetten. Zo ontdekte ik de muziek en al die talen, ik was totaal gefascineerd door dat schitterende medium. De eerste vonken voor mij: rock-’n-roll. Elvis Presley, Little Richard, Cliff Richard, Chubby Checker. Eind jaren 50, begin jaren 60. Ik ontdekte Veronica en luisterde naar Radio Luxemburg. En ik hoorde in een discotheek in Eindhoven een jongen een plaat aankondigen en dacht: dat kan ik volgens mij veel beter. Ik trok de stoute schoenen aan en vroeg: mag ik het ook eens een keer proberen? Zo is het begonnen. Ik kon me totaal verliezen in muziek en in taal. Ik had als jochie altijd een opgewonden gevoel als ik gedichten las. Dan snapte ik het niet helemaal, maar vond ik het wel mooi. Ik kan een uur naar een woord kijken. Louis Couperus! Fantastisch, die echte Couperus-taal, dat sprookjesachtige, met woorden waar ik nog nooit van had ­gehoord, maar die een sfeer creëerden die hoorden bij de tijd waarin hij schreef. Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… is het mooiste boek dat ik ooit gelezen heb. 

Maar ik houd ook van Paulien Cornelisse en Frits Abrahams. Je moet niet denken: het was vroeger allemaal beter. Het was vroeger goed, maar je moet altijd om je heen blijven kijken: wie verrassen me nu? Daar ben ik altijd nieuwsgierig naar. De bewondering en het verlangen mijn enthousiasme te delen is mijn essentie geworden. Ik vind het altijd mooi als iemand iets kan maken dat mij bekoort, vertedert of soms ook schokt – in ieder geval mij verrast. In al die jaren radiomaken heb ik geprobeerd dit over te dragen op mijn luisteraars. Ik heb ­altijd datgene gedeeld waarvan ik denk: dat is de moeite waard, dit wil ik aan een ander vertellen. Meer is het eigenlijk niet. Het is gewoon op een zolderkamertje zitten met een vriendje of vriendinnetje en vanuit een gevoel van begeestering zeggen: ‘Kijk eens wat een mooi boek ik nu heb! Zal ik een stukje voorlezen?’, of: ‘Hoor eens hoe mooi die nieuwe plaat klinkt. Wil je wat horen? En? Wat vind jij ervan?’

Ik ben altijd verwend geweest. Mijn familie, het gezin waar ik uitkom, mijn eigen gezin met onze drie zonen: een buitengewoon hechte basis met heel veel aandacht voor elkaar. Mijn moeder vond het helemaal prima dat ik radio wilde maken en heeft al mijn programma’s gehoord. Mijn vader heeft weleens na het luisteren van De Avondspits gezegd: ‘Wanneer word je nou eindelijk eens volwassen?’ Mijn vrouw Greetje heeft ook altijd geluisterd en maakte ooit de opmerking: ‘God, was je thuis maar net zo leuk als op de ­radio.’ Haha. Ik heb ook heel veel ‘programmageluk’ gehad, zoals ik dat noem. 

De Taalstaat is, denk ik, mijn beste programma geweest, omdat al mijn liefdes daarin samenkwamen. Heel bijzonder was dat ik het maakte met Lisette, mijn nieuwe liefde. We zijn geestverwanten, soms waren we echt betoverd door wat we in het programma samen hoorden en bespraken. Ik zag altijd aan haar gezicht wat ze ervan vond. Dat dwong mij er wel eens toe om te denken: oké, dan moet het dus nog beter. Ongelooflijk dat de liefde weer op mijn pad is verschenen. Ik dacht de eerste drie jaar na Greetjes dood in 2018: daar kom ik niet meer overheen. Ik heb toen Mijn West Side Story geschreven, met als ondertitel Een musical op papier, over liefde, leven en het accepteren van de dood. Dat grensgebied tussen dood en leven in een boek gebruiken, vond ik heel mooi en troostend.

‘Nu ben ik nog altijd nieuwsgierig naar een nieuwe plaat of boek. Dat is nooit overgegaan. Ik ben niet die man van 78. Nou ja, dat ben ik wel, ik weet het en voel het soms ook aan den lijve, maar in mijn hoofd en hart voel ik dat niet. Geestelijk ben ik nog even geïnspireerd en nieuwsgierig als ik altijd ­geweest ben. In mijn hoofd ben ik nog dat jongetje. Door mijn nieuwsgierigheid komt de wereld nogal binnen, dat lees je in Mijn laatste radiojaar. Of het nu om Trump gaat, al die vreselijke oorlogen of het ziek zijn van mijn broer Sjonk. Ik schrijf in mijn boek veel over hem. Ik hou van hem en ik leef met hem mee. Het gaat nu wel goed met hem, dat had ik tijdens het schrijven van het dagboek niet gedacht. 

Om mijn emoties te kanaliseren vertaal ik in het boek dag na dag alles naar liedjes, naar songteksten. Het is mijn manier om me te realiseren: er is nog iets moois. En met dat moois kun je misschien alles wat niet zo mooi is toch draaglijk maken. Er komt een liedje op me af, dat spreekt me aan, en dan gebruik ik dat. Zo simpel is het. Ik ben als radioman en schrijver niet meer dan een intermediair. Ik ben de boodschap-per, ik draag het verder. In mijn boek zie je terug dat ik bewuster ben geworden van de tijd. En dat ik bewuster ben van het ­belang van het ware geluk. 

Het gaat niet meer om nieuwe auto’s of nieuwe wasmachines of God mag weten wat. Het enige wat ik van belang vind is de mens. Of we een beetje gelukkig kunnen zijn met ­elkaar. De tijd die je hebt is je kapitaal en hoe groot dat kapitaal is, dat weet niemand. Ik heb altijd de muziek, de literatuur, de wereld die erboven zweeft. Dat voedt me en daardoor verlies ik me erin.

‘Straks, ja, dat is een goede, wat brengt straks? In essentie verandert er niet zoveel na mijn afscheid van de radio. Wat ik deed, draait om dat ene. Inspiratie. Inspiratie vanuit het vak, inspiratie vanuit wat me wordt aangeboden door de mensen die iets maken en inspiratie die blijkbaar in mezelf zit. Die inspiratie verdwijnt niet zomaar. En het is nodig! Als tegenwicht. Ik maak me grote zorgen over de ­wereld. Ik zie bewegingen die me erg doen denken aan nazi-Duitsland. Het opkomende fascisme bij mensen die zich beter wanen dan anderen. Waar het in het leven om zou moeten gaan is liefde, maar de mensen denken heel veel aan zichzelf. Daarom vind ik het heel erg van belang mijn best te blijven doen om te wijzen op wat mooi is en de moeite waard. Waarom ik dan toch een punt heb gezet? Ik ben ­gestopt door mijn fysiek.

Mijn hobby was natuurlijk mijn werk. Maar gelukkig gaat muziek nooit weg 

Ik werd moe. Te moe, vond ik. Het was iedere week drie dagen heel hard werken aan De Taalstaat en ik zocht ook nog zelf de muziek uit, dat was de vierde dag. De gedachte bekroop me: voordat het niet meer goed is, moet ik stoppen. Ik hou te veel van het programma om het te laten ­verslonzen. Niet eens zo’n moeilijke beslissing. Zo’n ­moment komt toch. En je kunt het beter zelf beslissen dan dat een ander dat voor je doet. Nu ben ik aan het landen. Ik kan je daar nog niet ­alles over vertellen, want dat proces is nog gaande. In het begin vond ik het behoorlijk verwarrend. Je weet niet wat je met je tijd moet doen, hoe je de dagen moet indelen. Maar langzaam begin ik te dalen en als de landing is volbracht, zal ik vertellen hoe dat is. Het gaat inmiddels wel beter, hoor. Ik moet bezig blijven. Mijn drie zonen herkenden dat. Mijn oudste zei: ‘Papa, jij hebt geen hobby’s. Dus blijf maar wat doen.’ Hij heeft gelijk, ik ben niet de man die een kastje gaat bouwen. Mijn hobby was natuurlijk mijn werk. Maar gelukkig gaat dat nooit weg. Muziek gaat nooit weg. Verhalen schrijven gaat nooit weg. 

En het leven is vol. Ik heb zes kleinkinderen. Ik ga met ze naar ­musea en doe andere leuke dingen. Ik heb nu meer de tijd aan mezelf en begin dat steeds meer te waarderen. Voorheen, als iemand met me af wilde spreken op een donderdag, had ik meteen gezegd: dat kan helemaal niet. De Taalstaat! Ik moet werken! Nu besef ik ineens: donderdag? O ja, dat kan wél. Als ik over 22 jaar op mijn honderdste verjaardag ­terugblik, dan hoop ik dat ik mijn leven op een zinvolle, leuke manier heb kunnen invullen. Ik hoop dat mijn kinderen en kleinkinderen van me meenemen dat het delen met anderen ongelooflijk belangrijk is. Ik heb daar alle vertrouwen in. Mijn zonen zijn heel sociale mensen. Mijn oudste is specialist ouderen­geneeskunde, mijn middelste is arbeidsrechtadvocaat en de derde is programmamaker en zeer idealistisch. Die jongens zijn heel goed gelukt en heel lief voor mij. Ik heb werkelijk niets te klagen.”