In 1953 kwam ik op 17-jarige leeftijd als vrijwilliger bij de marine. Mijn dienstverband eindigde in 1960. Over deze periode heb ik later nooit pensioen gehad. Mijn vraag is of ik nog ergens recht op heb.
Begin jaren vijftig werd er eigenlijk nog geen pensioenpremie ingehouden bij militairen. Hoogstens was er iets geregeld voor hogere functionarissen met een vast dienstverband. De structurele pensioenvoorzieningen in het leger dateren van halverwege de jaren zestig. Toen was u al afgezwaaid.
U moest het nog doen met een soldij van één gulden per dag voor de ongeoefende soldaat. De geoefende soldaat kreeg 1,25 gulden. Hoe hoger de rang, hoe hoger ook de soldij. Dat was toen ook al zo. Pas in 1967 kwam er een soort salaris. Dat werd ‘wedde’ genoemd en bedroeg 200 gulden per maand.
In de jaren vijftig begon, zoals velen zich nog herinneren, de dienstplicht. Maar daarnaast kon je je ook vrijwillig aanmelden voor militaire dienst. Dat vrijwillig in dienst treden had een eigen juridische status. Het gebeurde vooral door jonge, praktische jongens die eerder wilden beginnen met een militaire loopbaan of een specifieke eenheid wilden kiezen.
Voor beroepsmilitairen die in die jaren in dienst traden, is soms nog wel iets aan pensioen geregeld. Een militair die in 1957 als 17-jarige ‘als beroeps’ bij de landmacht kwam, kreeg bij zijn afscheid op 55-jarige leeftijd 38 pensioenjaren, dus vanaf zijn 17e gerekend. Later mocht hij nog vijf pensioenjaren opbouwen. Het heeft dus altijd zin om er nog eens naar te informeren. Dat moet bij het ABP, waar sinds juni 2001 de pensioenen van militairen zijn ondergebracht. Eerder gebeurde dat gewoon bij het ministerie van Defensie.