De herkomst van de walnoot is nogal een mysterie, en dat fascineert onze tuinexpert Romke van de Kaa. Hij reisde er zelfs voor naar de wilde walnootbossen van Kirgizië. Zijn eigen bomen laten hun noten nu vallen, tot grote tevredenheid van bosmuis, das en bonte specht.
Ik kan niet slapen. Het is september, maar nog steeds zijn de nachten klam. Buiten is het stil. Ik woon hier dan wel idyllisch aan de Veluwezoom, maar echt stil is het zelden. Te veel wegen, te veel verkeer. Nu, in het holst van de nacht, is het stil. Maar niet voor lang. Niet ver van het huis staan zes walnotenbomen. De noten zijn rijp en elk zuchtje wind doet ze vallen met een hoorbaar plofje. Onder het slaapkamerraam klinkt een duidelijk hoorbaar raspend geluid – alsof daar beneden een reus zijn nagels zit te vijlen. Het is een bosmuis die een gat in de dop van een walnoot knaagt. Wal-noten hebben een keiharde dop. Het knagen kan uren doorgaan.
En dan komt de das
Niet alle nachtdieren gaan zo geduldig te werk als de bosmuis. Iedere nacht krijgen we ook bezoek van een das. Die heeft eerst een hekje van kastanjehouten spijlen moeten slopen voordat hij bij de afgevallen noten kon. Hij kraakt ze met grof geweld tussen zijn kiezen en ’s morgens ligt het gras onder de notenbomen bezaaid met aan gruzelementen gebeten notendoppen. Grappig is wel dat dassen ondanks hun botte manier van kraken toch geen kruimel van de noot zelf laten liggen.
Of zouden de bosmuizen als opruimdienst optreden? In de ochtendschemering worden das en muis afgelost door de grote bonte specht. Die zet een noot klem in de spleet van een hekpaal en begint te hakken totdat de notendop opensplijt. Hoe een eekhoorn een noot eet heb ik nog nooit gezien. Eekhoorns verzamelen de noten en verstoppen ze. En ook roeken eten niet ter plekke. Ze nemen een noot in hun snavel en vliegen ermee weg. Ik heb notenbomen genoeg en kan zonder jaloezie genieten van de schare mee-eters.

Iedereen kraakt anders
Als je eenmaal gewend bent om het gedrag van flora en fauna te observeren, houdt die gewoonte niet bij planten en dieren op. Zo vertoont de mens bij het eten van walnoten een boeiend en gevarieerd gedrag. Soms heeft het eten van walnoten veel weg van een gezelschapsspel: je zit in groepsverband rond de tafel en geeft de notenkraker aan elkaar door. Het is niet moeilijk om iemands karakter af te lezen aan de manier waarop hij noten kraakt. De ongeduldige heeft geen tijd om te wachten tot de notenkraker beschikbaar is en probeert de walnoot alvast met de blote vuist te kraken.
Dat gaat meestal ten koste van vuist en tafelblad. De technicus van het gezelschap hoeft niet op zijn beurt te wachten en kraakt zijn noot tussen de deur. De roekeloze zet zoveel kracht met de notenkraker dat de noot geplet wordt en de stukken door de kamer vliegen en de behoedzame werkt langzaam en precies, als een hersenchirurg die een schedel-dak licht: hij past en meet op welke manier hij de noot het slimst in de kraker kan leggen. Mijn favoriete hulpmiddel is geen notenkraker maar een klein houten hamertje. Het komt uit Frankrijk. Daar kraken ze geen noten. Ze spijten de dop in twee helften met een welgemikte tik van hun notenhouten hamertje.

Mijn eigen bomen
Mijn kennis over walnotenbomen is voor een deel opgedaan in verre landen zoals Kirgizië en Iran, waar bossen van wilde walnoten voorkomen, en ook dichter bij huis in Turkije en Frankrijk, waar veel walnoten in boomgaarden worden geteeld. Maar de meeste kennis heb ik opgedaan in mijn eigen tuin. Daar staan de walnoten die ik zelf heb geplant, zo’n vijfendertig jaar geleden. Uit ervaring weet ik dat het gezegde ‘boompje groot, plantertje dood’ grote flauwekul is. Een jaar of drie na het planten kon ik al de eerste noten oogsten. De grootste boom is nu meer dan 25 meter hoog.
Drie jaar na het planten kon ik al mijn eerste noten oogsten
Zo ga je om met een walnotenboom
Walnoten houden van goede, vruchtbare grond. Die vind je bijvoorbeeld langs onze grote rivieren, maar ook in Zeeland. Boeren zeiden vroeger: “Een walnoot plant je het liefst naast de mestvaalt.” Maar op onvruchtbare zandgrond hoef je niet te wanhopen. Want zand kun je vruchtbaar maken. Wat let je om een eigen mestvaalt te beginnen? Of – iets beschaafder – een composthoop. De enige plaats waar je geen walnoot zou moeten planten is een plek met een hoge waterstand. Walnoten houden er niet van om met hun wortels in het water te staan. Plant daar liever een moerascipres.Walnoten ‘snoei je in het groen’ is ook een zegswijze. Daarin schuilt veel waarheid. Als je walnoten snoeit wanneer de sapstroom op gang is, zoals in de late winter of het voorjaar, gaan ze ‘bloeden’: ze scheiden een niet te stelpen stroom van heldere vloeistof af. Maar je hoeft niet bang te zijn dat een boom daardoor doodbloedt. Toen ik een walnotenteler in Frankrijk vroeg wanneer hij zijn bomen snoeide, zei hij: “In het voorjaar natuurlijk.” Waarop ik in mijn onnozelheid vroeg: “Maar gaan ze dan niet bloeden?”

“Natuurlijk wel”, antwoordde hij. “Maar is dat dan niet slecht voor de boom?”, vroeg ik. “Ik ben er nog nooit een kwijtgeraakt”, zei hij. En het is waar: als je maar één boom hebt, is er voor alles een optimale tijd, maar heb je er vijfhonderd dan snoei je wanneer dat in jouw werkplan past. Overigens hebben Fransen het niet over bloeden maar over pleurer – huilen – wat beter past bij het kleurloze vocht.
Wind door de bladeren
Walnoten hebben soms last van bacterie- of schimmel- ziektes. Daar kun je natuurlijk tegen spuiten, maar hoewel de noot door een bolster én een dop is beschermd, zou ik mijn eigen voedsel nooit met vergif bespuiten. Tegen bacteriën valt weinig te doen, maar het is wel handig om te weten dat sommige rassen gevoeliger zijn dan andere. Tegen schimmels valt wel degelijk iets te ondernemen. Schimmels lijken in sommige opzichten op mensen: ze produceren zwemmende spermatozoïden. Die hebben vocht nodig, want met droogzwemmen kom je niet ver. Plant walnoten daarom nooit in de luwte, maar in de wind. Hoe sneller het blad van de walnoot opdroogt, hoe minder ver het zaad van de schimmel kan zwemmen. Plant een walnoot daarom ook op een flinke afstand van zijn soortgenoten of van andere bomen, zodat de boomkruinen elkaar niet raken.
Neem er één (of een dwerg)
Een laatste gevestigde wijsheid waaraan ik wil morrelen: er wordt altijd gezegd dat je twee walnoten moet planten, opdat die elkaar kunnen bestuiven. Dit omdat walnoten door de wind worden bestoven en omdat de mannelijke en de vrouwelijke bloemen van dezelfde boom vaak niet tegelijkertijd bloeien. De boom kan zichzelf daardoor niet bestuiven en heeft een tweede nodig met een iets andere bloeitijd.Weinig ruimte? Er bestaan walnotenrassen die zonder bestuiving toch noten produceren, bijvoorbeeld een walnoot met de naam Broadview. Halleluja. En voor wie zelfs geen ruimte voor één walnotenboom denkt te hebben: er zijn tegenwoordig dwergrassen verkrijgbaar die niet hoger worden dan twee meter. Ook hiervan heb je aan één boompje genoeg en dat zou je zelfs op een terras of een flink balkon in een metselkuip kunnen planten.
Romke van de Kaa (1945) tuiniert en woont op Landgoed Hof te Dieren. In 1994 verscheen zijn eerste tuinboek Buiten de perken, daarna volgden nog veel meer boeken en stukken in kranten en tijdschriften. Hij schrijft altijd deskundig en vaak grappig. Zijn nieuwste boek, De reis van de walnoot, komt deze deze maand uit.