Honderdduizenden AOW’ers maken gebruik van een belastingaftrek voor hoge zorgkosten. Het kabinet wil deze regeling vanaf 2028 helemaal afschaffen. Dat plan is al eerder aangekondigd, maar krijgt op Prinsjesdag waarschijnlijk een vervolg in het Belastingplan 2027. Vooral AOW’ers kunnen de gevolgen merken.
Wie door ziekte of een beperking extra zorgkosten maakt, kan een deel daarvan nu onder voorwaarden aftrekken bij de aangifte inkomstenbelasting. Denk bijvoorbeeld aan bepaalde medicijnen, hulpmiddelen, fysiotherapie, tandartskosten, vervoer vanwege ziekte en extra kosten voor kleding en beddengoed. Niet alle zorgkosten zijn aftrekbaar. De premie voor de zorgverzekering en het eigen risico bijvoorbeeld niet. Bovendien geldt een inkomensafhankelijke drempel. Ondanks deze strikte voorwaarden maken zo’n 900.000 huishoudens gebruik van deze maatregel.
Wie is uw favoriet voor de Plus Impact Awards? Stem nu!

Aftrek moet vanaf 2028 verdwijnen
Dat belastingvoordeel staat op de tocht. Het kabinet wil de aftrek voor specifieke zorgkosten vanaf 2028 helemaal afschaffen. De maatregel stond al in de Voorjaarsnota 2026 en in de voorlopige inhoud van het Belastingplan 2027. Het definitieve belastingplan wordt op Prinsjesdag gepresenteerd. Dan moet duidelijk worden hoe het kabinet de afschaffing precies wil regelen. Daarna moeten de Tweede en Eerste Kamer er nog mee instemmen. Goed om te weten: voor 2026 en 2027 verandert er volgens de huidige plannen nog niets en blijft deze aftrekpost bestaan.
Raakt meer dan 431.000 AOW-huishoudens
Vooral voor ouderen is de regeling belangrijk. Uit onderzoek in opdracht van de overheid naar belastingaangiften over 2023 blijkt dat 431.609 AOW-huishoudens gebruikmaakten van de aftrek voor specifieke zorgkosten. Dat was iets meer dan de helft van de huishoudens in het onderzoek die de aftrek gebruikten. De AOW-huishoudens voerden samen voor ruim €700 miljoen aan specifieke zorgkosten op. Het werkelijke aantal AOW-huishoudens dat nu gebruikmaakt van de regeling ligt waarschijnlijk hoger.
Vooral lagere inkomens
De gebruikers van de regeling hebben vaak een lager inkomen. Door de drempel is dat ook een duidelijke voorwaarde om ervoor in aanmerking te komen. Van de onderzochte huishoudens had meer dan de helft een verzamelinkomen van maximaal €30.000. Ruim drie kwart zat onder €40.000. Gemiddeld konden gebruikers uiteindelijk €1.453 van hun inkomen aftrekken. Dat bedrag krijg je niet rechtstreeks terug van de Belastingdienst. De aftrek verlaagt het inkomen waarover je belasting betaalt. Hoeveel voordeel dat uiteindelijk oplevert, verschilt dus per persoon.
Voor AOW’ers kan de aftrek extra gunstig zijn
Voor AOW’ers met een lager inkomen bestaat een verhoging van aftrekbare zorgkosten. In 2026 mogen mensen die aan het begin van het jaar de AOW-leeftijd hebben bereikt en een drempelinkomen van maximaal €41.123 hebben de zorgkosten met 113 procent verhogen. Daardoor kan de uiteindelijke aftrek hoger uitvallen.
Mogelijk ook minder toeslag
Het verdwijnen van de aftrek kan nog een tweede financieel gevolg hebben. Aftrekbare zorgkosten verlagen nu het verzamelinkomen. Dat inkomen speelt ook een rol bij de berekening van toeslagen. Verdwijnt de aftrek, dan kan het verzamelinkomen stijgen. Daardoor kunnen sommige huishoudens minder zorgtoeslag krijgen. Het kabinet rekent vanaf 2028 met 66 miljoen euro per jaar minder uitgaven aan zorgtoeslag door de afschaffing. Ook de huurtoeslag kan worden geraakt. In de Voorjaarsnota staat dat het hogere toetsingsinkomen vanaf 2028 naar verwachting structureel 65 miljoen euro per jaar bezuinigd kan worden op de huurtoeslag.
Wat horen we op Prinsjesdag 2026?
Deze afschaffing zelf komt dus niet uit de lucht vallen: het voornemen is al eerder bekendgemaakt. Prinsjesdag 2026 is wel een belangrijk volgend moment, omdat deze maatregel in het voorlopige Belastingplan 2027 staat. Op dinsdag 15 september moet blijken of het kabinet het plan inderdaad in deze vorm indient, hoe de wettelijke regeling eruitziet en of er aanvullende maatregelen komen voor mensen met structureel hoge zorgkosten.
Tot die tijd blijft het dus een voorstel. En ook na Prinsjesdag is de afschaffing nog niet definitief: Tweede en Eerste Kamer moeten er dan nog over stemmen.